Carel Vosmaer - Vogels van diverse pluimage
C >>
Carel Vosmaer >> Vogels van diverse pluimage
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE
door
CAREL VOSMAER
* * * * *
GEILLUSTREERD NAAR TEEKENINGEN VAN Ch. ROCHUS
* * * * *
INLEIDING.
Hij liegt alsof het gedrukt was, zeide men vroeger met een spreekwoord,
dat uit den grooten eerbied voor boeken geboren werd. Hij liegt zoo
mooi, zoo glad, zoo juist, dat het uit een boek schijnt genomen.
Oudtijds heette het: "daar staat geschreven," maar de spreekwoorden
nemen de zeden der tijden aan en na de uitvinding van de typographie
beteekende het gedrukte hetzelfde gezag als vroeger het geschrevene.
Zoo zeide men ook eens, om iets onbegrijpelijks uit te drukken, dat is
Grieksch en Latijn voor mij, of als het erg liep, dat zijn hierogliefen.
Maar het Grieksch en Latijn is niet meer voor enkelen en de hierogliefen
zijn ontcijferd. Welke taal zullen wij nu voor de vergelijking kiezen?
Men kan zelfs niet meer met voeg zeggen, dat is Sanskriet of Chineesch
voor mij, want ook die talen zijn niet onbereikbaar. Hoogstens mag een
gewoon mensch beweren, dat iets er voor hem uitziet als spijkerschrift.
Ja, de spreekwoorden verouderen en veranderen. Een uitgezocht deel van
het vleesch, dat in de oudheid een godenstuk heette, werd in de goede
dagen, toen de geestelijken de praerogatieven der godheid voor zich
namen, een paterstuk. De Hervorming, die zoo veel veranderde, verbeterde
dit in een domineestuk, totdat eindelijk het ongeloof ook dit weder
seculariseerde en algemeen menschelijk maakte.
En zoo is het ook met de boeken gegaan. Dat spreekt als een boek, zei
men, en daarmee was het uit. Maar de boeken hebben hun prestige
verloren. Iedereen maakt boeken en snel ook. Negen jaren over een boek
te broeden, zooals Horatius aanraadde, wie zou er aan denken! In negen
jaren is een boek al weer verouderd. Zij zijn ephemeriden, zij strekken
om de gedachten en beelden van het oogenblik uit te drukken, en maar
weinige zijn duurzamer.
* * * * *
Op een morgen had ik eindelijk een niet zeer vermakelijk werk ten einde
gebracht. Ik had het laatste blad gelezen van een grooten hoop boeken,
waarover mij gevraagd was of zij eene heruitgaaf verdienen. Het waren
novellen, gedichten, tooneelstukken. Titels, papier, letter, toonden al
eene herkomst van voor ruim twintig jaren. En de illustraties--verluchten,
verlichten noemden onze middeleeuwers die versiering naar het oude
illummare, waarvan het nieuwere _illustreeren_ een aanmatigender vorm
is--de illustraties, die deze boeken nog niet illuster hadden gemaakt,
waren even verouderd. Welke onredzame steenteekeningen, waardig den
komischen vloek van Bilderdijk:
Een steenen hart, een hoofd gevoed met keien,
Beelde aap of hond in kouden steendruk uit,
Waar gloed noch smaak hun warmen glans in spreien
En 't zielsgevoel de teedre borst voor sluit!
.................................................
Maar weg dat tuig, dat kunstverwoestend knoeien!
Welke wonderlijk uitgedoste poppen, die heeren en dames, eens zich zoo
elegant en nieuwmodisch wanende, nu zoo dwaas in hun verouderde
kleederen, weergegeven zonder dien tact, waardoor een kunstenaar aan
elke snede der mode iets kan verleenen, dat de dragers boven het
bespottelijke van het verouderen verheft.
En wat zou ik zeggen over den inhoud? Het was een moeielijk geval. Denkt
men aan den rijken schat van werken, wier schoonheid of beteekenis
onvergankelijk is--dan vraagt men, waartoe zooveel middelmatigs gedrukt
of althans herdrukt, en moedeloosheid dreigt onszelven de pen te doen
nederleggen. Toch blijft de aandrift onverwinlijk en ook wij schrijven,
ieder zoo goed en kwaad als wij kunnen, ieder zooals zijne pen gebekt
is, omdat wij het niet laten kunnen.
En wij hebben toch gelijk, want ook onze tijd, onze denkbeelden en
gevoelens hebben recht zich af te beelden; en kan het niet geschieden in
eeuwenverdurend marmer, dan in vergankelijke photographieen. Dus een
minder volstrekte maat genomen.
Zijn dan deze stukken goed, naar onzen tijd, naar onze omstandigheden
gerekend? Zit er kracht, oorspronkelijkheid, durven in? Zijn die
novellen en tooneelstukken de, afbeelding van wat de veelbewogen
gemoederen in het moderne leven vervult? Draagt de vorm den stempel van
een karakter? Geven deze gedichten iets kernigs voor den geest, iets
teeders voor het hart, eenige winst voor den versbouw en de muziek der
taal?
Zoo ver was ik gekomen, en bij elk gewicht in de schaal geworpen rezen
de stukken, en rezen, zij werden zoo licht ... toen de uitgever van de
_Vogels van diverse pluimage_ binnentrad en, een pakje op mijne tafel
leggende, zeide:
--Doe mij 't plezier, dat eens door te kijken en te zeggen of je die
stukken voor een herdruk goed vindt.
--Alweer! zei ik, jij ook al; ik heb pas dien heelen hoop
doorgeworsteld,... niet goed, niet slecht, maar....
Ik had dit pakje intusschen geopend en zag wat oude werken van
mijzelven.
Mijn waarde uitgever keek mij met een fijnen glimlach aan en zeide:
--Dat heb ik op de laatste fondsveiling gekocht, en nu kom ik je vragen
of je ze nog eens wilt laten drukken.
Maar, menige argelooze lezer weet niet wat eene fondsveiling is.
Een uitgever, die eenige jaren lang heeft uitgegeven, krijgt allengs een
berg kopij. Kopij, argelooze lezer, beteekent niet, zooals gij
waarschijnlijk denkt, een nabeeldsel, eene navolging; en de benaming is
ook geene satire op de twijfelachtige oorspronkelijkheid van zoo vele
boeken. Neen, in de boekenwereld beteekent kopij juist het omgekeerde,
namelijk het oorspronkelijke handschrift, waarnaar de boeken gedrukt
worden. Verder beteekent kopij in het algemeen het werk van een
schrijver, en vertegenwoordigt ook het recht tot uitgaaf van zijne
geschriften.
Nu heeft dan een uitgever een hoop kopij van verschillende schrijvers en
deze vormt zijn fonds. Als de eerste uitgaaf heeft uitgewerkt, kan men
er later op eene of andere wijze altijd weer wat van maken. Andere
letter, vernieuwing, opfrissching, verguldsel en een bandje, en--het
boek gaat zijne tweede incarnatie te gemoet.
Deze is een voorrecht der boeken boven de menschen. Wij menschen
verschijnen maar eens, en als onze eerste en eenige uitgaaf niet goed
opgaat of verkeerd uitvalt, is onze menschelijke kopij verloren, het is
een mislukt leven. Maar zoowel deze vergeten, miskende of mislukte
kopij, als de beste on schitterendste tekst, gaat eindelijk ten grave,
naar den papiermolen, om nieuwe grondstof te worden. Doch van herdruk,
gezuiverd van errata en taalfouten, verbeterd en vermeerderd, met
verguld en een bandje, is hierbeneden voor den mensch geene spraak meer.
Men heeft de bezwaren hiervan gevoeld en de onsterfelijkheidsleer heeft
eene poging gedaan om een metaphysischen herdruk van ons te bezorgen.
Maar van deze bovenaardsche herdrukken is zelfs den fijnsten bouquinist
nog geen exemplaar onder de oogen gekomen; het blijft eene hypothese,
eene speculatie; misschien ook zou zulk eene tweede uitgaaf eene slechte
speculatie blijken, die de kosten niet loonde.
Maar voor een boek is eene tweede of zelfs derde incarnatie een herleven
en dikwijls pas een eigenlijk leven. Het is bij lange na niet de eigen
verdienste, die de fata libelli bepaalt. Daar hangt zeer veel van den
smaak, van den ijver, van de betrekkingen der uitgevers af, en menig
degelijk voortbrengsel gaat, verloren, omdat het verscholen bleef, en
het bleef verscholen, omdat de uitgever het slecht uitgaf en verkeerd
exploiteerde.
De oude kopij is dus niet alleen bruikbaar en wat waard, soms is zij
even goed als nieuw.
Maar het kan gebeuren dat een uitgever er het zijne van gehad heeft en
te veel kopij bezit. Daarom brengt hij een deel van zijn fonds, van zijn
voorraad kopij aan de markt. Dan worden er veilingen gehouden van het
fonds van een of meer uitgevers. Zulke fondsveilingen hebben veel van
slavenmarkten. Zelfs doode auteurs worden daar verkocht. Maar de levende
worden er evenals in het Oosten uitgestald, bekeken, betast, becijferd
en geveild. Voor gebreken wordt niet ingestaan, en wie er bekocht is,
heeft het zijn eigen oogen te wijten. Men moet weten voor welken arbeid
eene kopij nog dienen kan; of zij huiswerk kan doen, of zij gezond is en
hard kan werken, dan wel of zij jong, of zij schoon is en geschikt om te
pronken en te verleiden.
Op die markt kunt gij ook eene prijscourant der letterkunde opmaken.
Luimig goed blijft genoteerd: zeer willig en veel navraag. Gedichten, de
puike, zeer wisselvallig, maar doorgaans in het geheel geen animo. Naar
verzen, mooi ordinair, is evenwel redelijke vraag. Novellen, de goede
qualiteit, met levendigen omzet. Theologie, men noteert lichte, middel
en zware; tegenwoordig flauw; de koopers zeer geretireerd; bijna van de
markt genomen. Alleen stichtelijke lectuur, de fijne soort, gunstige
stemming.
Gij kunt deze beurstermen ook achter de namen der Nederlandsche auteurs
zetten. Dat wordt ook op die slavenmarkten gedaan, maar hier wil ik
liever geen namen noemen.
De geldswaarden van al die marktproducten wordt meer bepaald door de
werkkracht dan door de schoonheid. Schoonheid is dikwijls te hoog en te
onhandelbaar. Bevalligheid geldt meer, en modieuze zwier, die zich
vroolijk en lachend voordoet, het meest. Maar bovenal er moet mede
gepronkt kunnen worden.
* * * * *
Neen, de eerbied voor de boeken is verdwenen. Hoe ver zijn wij
verwijderd van de gevoelens, die Thomas a Kempis uitdrukt. Met een
gebed, zeide hij, moest men zich voorbereiden voor het lezen. Die een
boek sloot had Gode dank te zeggen voor de geestelijke weldaad hem
bewezen. Met gereinigde schoenzool moest men eene librerie binnentreden,
en met eerbiedig stilzwijgen, want die grond was heilig. Geen stofje
mocht kleven op de banden, geen vocht of ongedierte de bladen
beschadigen. En die een boek in de hand nam, moest het doen met de
gevoelens, die den ouden Simeon vervulden, toen hij in den tempel het
kindeke Jezus in zijne armen hield.
Zoo sprak de gemoedelijke Broeder des gemeenen levens; in den tijd toen
de boeken groot of dik waren, zware kleederen droegen en de kostbaarste
aan kettingen vastlagen in de librerie. Sedert die dingen zijn zij aan
de kettingen en sloten ontsnapt, altijd lichter, en dunner, en
vluchtiger geworden; zij hebben luchtige, fijne kleedjes gekregen en
bonte veeren en als vrije wilde vogels zijn zij pan vliegen, de wereld
door.
Van zulk eene markt nu waren ook mijne boeken afkomstig, die ik nu
opeens weer voor mij zag.
--Kijk ze eens in, zei mijn bezoeker, en zie of ik ze kan herdrukken.
--Daarover zal ik eens moeten denken, antwoordde ik;... dit niet,... dat
niet ... dat is twijfelachtig,--wij zullen zien.
--Kan het niet een tweede bundel van je _Vogels_[1] worden?
--Men heeft dien titel vreemd, gezocht gevonden--zal ik er nu weer mee
aankomen?
--De titel is goed, zeer goed; hij spreekt, hij schildert, en geeft
juist wat het is. Geloof mij, wij weten wat titels zijn en doen.
--Daarin heb ie gelijk,--welnu, het zou kunnen; het zijn dan weer andere
vogels, sommige zwakker. Maar ik moet eerst zien of ze nog vliegen
kunnen.
* * * * *
En daar zat ik dan met mijne vroegere, nu half vergeten schepselen voor
mij. Eenige van die bladen zijn al vele jaren oud en hun inhoud vaak
veel ouder--lang of kort geleden, zooals gij wilt--maar mij ontsloten
zij eene andere, soms geheel afgestorvene wereld. Eene mengeling van
aangename en droevige herinneringen. Johannes heeft het uitstekend voor
mij uitgedrukt, toen hij op Patmos schreef:
"En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het
was in mijn mond zoet als honig--en als ik het gegeten had, werd mijn
ingewand bitter."
Hier zijn liefelijke herinneringen uit de eerste vaag van het leven;
jonge droomen, wier bloesem vrucht belooft; rooskleurige wolkjes, die de
schoonste gestalten voorspiegelen. Maar de werkelijkheid is gekomen, en
de droomen wekken nu soms een glimlach; onverwachte vruchten zijn
gerijpt; en uit de wolkjes zijn andere dingen te voorschijngekomen dan
wij dachten. Soms ook was de werkelijkheid grootscher en schooner dan de
droomen. Maar in ieder geval, de tijd, die ons heeft voortgejaagd, heeft
een afstand gesteld tusschen die bladen en ons, en schoon de denkbeelden
en herinneringen ons lief zijn, hunne vormen zijn anders dan die, waarin
wij ze nu zouden boetseeren. Vandaar dat vreemde gevoel van lust en
onvoldaanheid.
Hier is de _Oude haard_[2] met alles wat er omheen behoorde. Hij is
begroeid met herinneringen, als de muren met de oude gebaarde takken en
telkens jonge bladeren van het klimop. Het vuur, dat er in gloort,
verlicht den antieken schoorsteen met zijne beschilderde tegels en
eikenhouten beeldsnijwerk, en het goudleer aan den wand. De oude
portretten aan den muur bewegen zich en willen uit de zwarte lijsten
komen; zij knippen met de oogen en knikken met de hoofden en de lippen
zeggen fluisterend: zijt gij daar terug?
En het vuur knettert en vlamt, terwijl ik er in zit te staren, als,
vanouds, en uit de vonken en vlammen springen beeldjes en gedachten te
voorschijn. O jonge, eens bij het haardvuur gekweekte, teedere
gemoeds-orchydaeen, phantastieke figuren, droomverbeeldingen, wat wilt
gij, wat hebt gij mij nu te zeggen? Welke zonderlinge schimmen dansen
weer in de kamer, trillende schaduwen der voorwerpen, caricaturen van
vorm, geworpen op den geheimzinnig schemerigen muur! Kleine kabouters
zitten op de smeulende turven en klauteren heen en weer, onmogelijke,
onleefbare schepsels, half idee en half vorm, maar die niet aan zoo veel
vleesch en been konden geraken als noodig is om te bestaan. Geboren bij
het staren en mijmeren in den kunstmatigen gloed van het vuur,
vervliegen zij zoodra het uitgaat. Als ik wil toegrijpen, is het enkel
asch.
Nevelige, schichtige, tamme piepkuikens, uitgestorven dodo's, met de
nieuwe vlucht kunt gij niet meer meedoen.
Daarna is het een boek, een Levensboek. Dat is een stuk waarachtig
leven. Hier komen weer liefelijke beelden op. Geen marmeren beelden en
geen forsch gekleurde schilderijen: het zijn zachte frescokleuren met
gedommelde vormen. Kinderlijk soms en gebrekkig van behandeling, maar
daartusschen goed geslaagde figuren, en allengs worden duidelijker,
sterker en bestand tegen weer en wind.
Dit alles hernieuwt zich voor den geest en ik leef een dubbel leven, met
de bewustheid van het heden en de bewustheid van het verledene. En wat
oordeelt het heden over het verledene?
Zooals men op zeker tijdstip gevaar loopt zijn werk beter te vinden dan
het is, zoo is er ook na een lang tijdsverloop kans dat men het slechter
acht dan het is. Ontwikkeling en omstandigheden hebben den geest
gewijzigd. Den ouden toestand ontgroeid, is men er vreemd aan geworden.
Wij hebben andere denkbeelden, andere idolen, of, zoo zij al dezelfde
zijn, zij eischen andere vormen. Laat de dooden de dooden begraven.
Eenmaal hebben zij geleefd, kunnen zij weer levend worden?
En toch zijn zij ons zoo lief, toch willen wij er veel van behouden, ook
in dien vorm. Men hecht aan zijne jeugd en de kindergestalten zijner
phantasie.
Zouden zij thans ook wel beter geschreven zijn geworden? Zijn zij voor
anderen, buiten ons eigen heden staande, niet even goed alsof zij pas
ontstonden? Hebben zij althans niet _iets_, dat duurzamer is? Hier en
daar zal iets gezuiverd, hier en daar iets tams versterkt, iets
transcendentaal gehoofdletters genivelleerd, een ouderwetsche muts
gemoderniseerd moeten worden. Mogen zij zoo verbeterd niet weer opnieuw
de wereld in?
Of--want straks was ik zoo streng voor anderen--of, is dit de lokstem,
der eigenliefde, en moeten wij vreezen:
Nochtans 't geschiet op liste,
Alzoo ik mercken kan,
Daer praet een blau sophiste
Met den armen lettermann.
* * * * *
Laten zij dan als eene vlucht vogels maar weer uitvliegen, de vorige
bende achterna. Eerst zullen wij ze monsteren. Daar zijn er wier
slagpennen nog stevig zijn. Andere, niet zoo sterk, zullen zich toch nog
goed houden. Andere weder kunnen op hunne eigen wieken niet drijven;
ach, zij hadden eigenlijk geene wieken. Sommige van de vroeg gekweekte
hadden hun vollen wasdom nog niet bereikt en waren dun in de veeren. Nu,
na hun langen tocht, zijn zij geheel krachteloos en tam geworden en hun
gevederte zoo kaal, dat zij op geene pluimage meer aanspraak kunnen
maken. Zij hebben te weinig meer gemeen met de overige om in staat te
zijn nog eens met hen uit te vliegen. Daarom zal ik ze liever in eene
kooi zetten. Dat is beter voor zwakke of gebrekkige vogels. Het is er al
mede als met de menschen--er zitten er vele in kooien, met verlof om in
eene beperkte ruimte rond te fladderen, en die niet sterk en maar dun in
de veeren zijn bevinden zich daar het best bij. Soms kan er een ook eene
veer leenen, die een ander afgeschud heeft, en maakt dan zelfs onder
zijne kooikameraden nog heel wat vertooning.
Maar wat zich vrij en krachtig voelt, verlaat de beperkte ruimte, vliegt
uit en zoekt zijn eigen weg en bestemming. Waarheen? Vooruit! Op eigen
sterke wieken gedragen, jaagt hij voort in de onbegrensde ruimten.
Sommige, door een gunstigen wind voortgestuwd, duizelen van hun eigen
vaart, worden angstig, willen terugkeeren, en bij het wenden van hun
koers storten zij neer en verpletteren zich den kop. Andere, die gauw
duizelig werden en niet zoo hoog vlogen, breken maar een vlerk of poot
en krabbelen stilletjes weer naar de kooi terug.
De beste en sterkste kampen gewoonlijk met veel tegenwind; menige
schoone veder wordt hun ontrukt, bij het zoeken naar hunne bestemming en
het moeitevol vergaderen van voedsel, doch naar de kooi, al konden zij
het er nog zoo goed hebben, keeren zij nooit weer.
Laten zij dan uitvliegen. Ik verzamel ze en roep ze op,
Kom hier, gij, deze on gene van mijn pluimgeslacht.
Maar ik geef daartoe liever het woord aan den hop; die weet beter hoe
men dat volkje moet toespreken:
Ehophophophophophophophophophop
Io io, ito ito ito ito
Kom hier, gij deze en gene van mijn pluimgeslacht,
Die 't bouwveld der landlien in vruchten rijk
Beweidt, ontelbare vluchten op koren belust,
Zaadkorrellezende bent,
Snel van vleugelen, verbroldend zoetklinkende zangen,
Die in scharen de voren
Vullend, om de kluiten fladdrend zachtkens orgelt
Lieflijk met zoeten zang
Tio tio tio tio tio tio tio tio
Wie er van u in de tuinen en klimop
twijgen het voedsel u leest,
Wie op de bergen, gij ook wildevijgenverslinders, aardbezienpikkers,
Vliegt haastig nu hierheen op den roep van mijn stem,
Trioto trioto totobrix.
Die, op de lage moerassen, de bijtende
Muggen opsnapt, of de waterstreken
Bewoont en het schoon Marathonische grasland,
Vogel, gij bontgevleugelde,
Hazelhoen, hazelhoen,
Gij ook, die over den golfslag der zeeen
Saam met de scharen der ijsvogels vliegt.
Komt hier, komt hier, om te hooren de nieuwigheid!
Al de geslachten verzaamlen wij hier nu
Van 't langhalzig vogelenvolkjen.
Want, hier komt een wijze grijsaard,
Vol van nieuwheid,
Nieuwe dingen komt hij stichten.
Komt hier ter vergaadring allen,
Haast u, haast u, haast u, haast u,
Torotorotorotorotorotix
Kikkabau, kikkabau,
Torotorotorotorolililix!
Dit heerlijke vogellied, echte vogelmuziek met woorden van Aristofanes,
is in het jaar 414 voor het eerst op het Atheensche tooneel gezongen en
gespeeld; het is uit zijne comedie _De Vogels_.
Ik mag van deze "lustige, gefluegelte buntgefiederte Dichtung," zooals
Schlegel ze noemt, toch wel spreken zonder dat de kwade tongen mij de
domheid toedichten mijne dieren daarmee te vergelijken? Toch is
misschien de waarschuwing niet overbodig. O, lustige, gefluegelte,
buntgefiederte Dichtung, welk een libretto voor Mozart's
Papagenen--melodieen! Dat zijn eerst Vogels, waarde lezer, en van
schitterende pluimage. Dat is een van die boeckxkens--wat een letters
had men vroeger noodig--om gelijk Simeon als "het kindeke Jezus" in
zijne armen te drukken, en te juichen dat men die heerlijkheid
aanschouwt.
Maar het is toch geen boekje voor iemand als onze gemoedelijke Thomas a
Kempis. Het is een goddeloos boek, vol Atheensche Witze en Attisch zout,
vol dolle idealen en snijdende parodieen, met wat obsceniteiten,
afgewisseld door de zangerigste melodieen--fijne poezie en
nachtegaalsslag,--en bovendien met eene foliopersiflage van de goden,
eene persiflage, die Aristofanes den tweeden prijs niet deed missen,
terwijl het zachtstwijsgeerig rationalisme Sokrates het leven kostte.
Zoo waren de Atheners. Aristofanes voert er in zijne _Vogels_ een paar
exemplaren van op. Peisthetairos, een plannenmaker en speculant, en
Euelpides, groot van verwachtingen, klein van moed, lustig van zinnen.
Zij verlaten Athene om ergens op of boven de aarde eene betere plaats te
zoeken, waar niet altijd geprocedeerd wordt, waar men zijne schulden
niet behoeft te betalen en waar men zijnen lust kan vieren. Zij komen in
de streken, waar de vogels wonen; zij ontmoeten den hop en stellen hem
voor, in de lucht eene groote vogelstad te bouwen. Prachtige gedachte,
zegt de hop en roept al de vogels, met het lied, dat ik mededeelde. Daar
stroomen zij toe, eene onheilspellende wolk van gevogelte. Zij dreigen
de Atheners; het zijn vogelvangers, zeggen zij en willen hen met bek en
klauw te lijf. Deze verweren zich met schotel en braadspit, totdat de
hop betoogt dat het vrienden zijn. Peisthetairos vertelt hun, dat de
vogels de oudste heeren en meesters der wereld zijn, dat de goden zelve
zich van vleugels en de hulp der vogels bedienen, dat de menschen zich
in alle handelingen naar hen richten. De vogels moeten dus hun rang en
heerschappij boven goden en menschen weer innemen. Zij moeten eene stad
bouwen tusschen hemel en aarde, zoodat de reuk der offers niet meer tot
de goden kan opstijgen en deze van gebrek moeten omkomen, als zij de
heerschappij der vogels niet aannemen. Dat plan wordt met
vleugelapplaudissement toegejuicht en uitgevoerd. Peisthetairos wordt
koning van de nieuwe, weldra verrezen Wolkenkoekoekstad.
Met eene wonderbare tegenstelling hooren wij dan uit zijn mond allerlei
verstandige en eerlijke uitspraken tegen de fortuinzoekers, die allengs
op de stad afkomen. Maar ten slotte stijgt de komische toon weer tot de
hoogste luim. Daar komt Prometheus, zich achter een zonnescherm
verschuilend, opdat Zeus hem niet zou zien, meedeelen, dat het met diens
macht gedaan raakt, dat de reuk der vette offerstukken niet meer
omhoogstijgt en de goden daarboven hongeren als op een vastendag.
Weldra zenden zij drie gezanten, Herakles, Poseidoon en eenen Triballos,
een caricatuurgod der barbaren, die koeterwaalsch praat. Zij komen
beleefd tot Peisthetairos, maar deze doet alsof hij ze niet ziet en gaat
voort met de toebereidselen veer een smakelijk gebraad, dat den
lekkerbek Herakles allengs verteedert en verleidt. Peisthetairos is
geneigd tot vrede met de goden, maar vooreerst moet Zeus hem den
heerschersstaf geven, en dan zal hij de goden ten eten vragen.
Onmogelijk, zegt Poseidoon; maar Herakles ruikt het gebraad en stemt al
toe.
Vervolgens moet Zeus hem zijne dochter Basileia--het koningsgezag--tot
vrouw geven.
Onmogelijk, zegt Poseidoon.
Ga maar mede in den hemel met hen om Basileia en al wat gij wilt te
halen, zegt Herakles; ik zal intusschen hier het gebraad klaarmaken.
Het stuk sluit hiermede dat Peisthetairos terugkomt, reeds van verre
schitterend als de zon, en naast hem de schoone bruid Basileia. Hij
zwaait den bliksem, het gevleugelde werptuig van Zeus, en een heerlijke
geur stroomt door alles heen. Het koor jubelt hem een hymenlied te
gemoet en bezingt de macht van den bliksem, gevoerd door den nieuwen
Zeus, en zijne prachtige bruid Basileia.
En zoo eindigt deze halsbrekende vogelutopie.
Maar wij, hoe komen wij weer heelhuids uit deze wolkenvogelstad op de
gewone aarde en bij ons eenvoudig pluimgedierte?
Doch zoo gaat het in het leven. De lezer dient er zich mee te troosten,
dat het plotseling geschiede, zonder overgang. Evenzoo worden wij met
een schok wakker uit de schoonste droomen, en na de omzwervingen in den
ether zien wij opeens onze voeten op de straatsteenen staan. Toch blijft
van dat zweven in de wolken altijd iets in de herinnering rondzingen.
NOTEN:
[1] Deze bundel, ofschoon de oudste stukken bevattende, verscheen eerst
in 1874 na anderen van jongeren oorsprong, die in 1872 het licht had
gezien.
[2] Een stuk van ouden datum, niet herdrukt. Verscheen in Nederland,
1856
* * * * *
TWEE KUNSTENAARS.
Eens waren de geesten overal. Van alle stof waren zij de bezieling, zij
woonden in de lucht, in de stroomen, in de zon, in de starren, in den
bloemkelk en de kleine beek, in den mensch en zijne omgeving, in zijn
denken en voelen, en heel het leven was van hen vervuld. In de lucht en
de bosschen maakten zij muziek, aan de starren en wolken gaven zij
spraak, en leerden haar, evenals den bergen, boomen en wateren, de
heerlijkste dingen vertellen; aan de bloemen schonken zij de poezie der
kleuren, den mensch de verbeelding, en zoowel in als buiten hem ontstond
door hen de liefelijkste wereld.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20