Cyriel Buysse - Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
C >>
Cyriel Buysse >> Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
ROMAN IN TWEE DEELEN
DOOR CYRIEL BUYSSE
1905
_Voor mijne Moeder_
EERSTE DEEL
I.
De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", een keer. Alfons werd half
wakker. Hij vroeg zich even, in onduidelijk denken, af, of het soms
reeds de echte vogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't niet
ophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in.
Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venster tikte, en dat een
welbekende stem zijn naam riep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar
de slaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield, als met duwende
vingers, zijn oogleden dicht, en doofde de inspanning van zijn geest in
soezing weer uit.
Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: het driemaal bonzen op
zijn vensterraam, en de stotter-stem van boer Kneuvels, zijn baas, die
riep:
"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... ge moet opstoan!"
Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed.
"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. En meteen, waggelend op
zijn nog onvaste beenen, was hij bij het raampje en trok het open.
De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hem als een adem van frisch
leven in 't gezicht, en vulde met een gulle teug van nieuwe krachten
zijn benauwde longen.
"Ghaaa!... zuchte hij, diep ademhalend. En in de duisternis zag hij den
boer daar buiten staan, een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen
zwart-blauwen, flonkerenden sterrenacht.
"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe... oe weere te weege. Wi...
ilt... e gij de Van Doalens goan roepen, 'k zal ik o... om d'ander
goan?"
"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reeds aan 't aankleeden was.
Hol en luid klonken hun stemmen in de stilte van den nacht. Als een
donkere schaduw trok de boer zich terug, en helderder flonkerden in 't
vierkant van het open raampje de levend-tintelende sterren aan het
donkerblauw uitspansel. Alfons stak 't hoofd naar buiten. De boer was
reeds onzichtbaar. Heel in de verte blafte hol en dof een hond.
Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht, en sloot weer dicht het
raampje. Hij stak een nachtpit op en kleedde zich verder aan. Naast zijn
kamertje was dat van zijn oude moeder. Stiller ging hij nu te werk om
haar niet te wekken. Maar zij hoorde hem toch, en haar stem klonk lijzig
en klagend als die van een zieke:
"Zij-je 't gij, Fons?"
"Joa ik, moeder."
"Het den boer om ou geweest?"
"Joa hij, moeder."
"Hoe loat es 't?"
"Koart noar den ien; sloap moar gerust."
"Zilt-e de deure goed op slot doen?"
"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn."
"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?"
"Joa ik, moeder."
Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed, waarin ze zich scheen om
te keeren. Hij was aangekleed, nam zijn klompen in de hand om geen
lawaai te maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertje en opende
in de duisternis de voordeur.
Een stil geruisch van ritselende bladeren, zacht-zijig schuivend door
elkaar onder den ademtocht van een windje dat nergens vandaan scheen te
komen, zweefde als een heimelijk gefluister door de hooge kruinen der
nabije popels; en ergens in de buurt kraaide plotseling schel een haan.
Hij kraaide een tweede maal. Toen weer de groote, donkere,
sterrenflonkerende stilte, en heel heel in de verte 't hol geblaf van
waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en
stak den sleutel in zijn zak.
Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren. Het was de
volle, stille zomernacht met zijn miljoenen en miljoenen aan den
somber-blauwen hemeltrans flonkerende sterren, en heel laag op den
horizon een scheef hellende sikkelmaan, die langzaam aan, van gloed
verdoovend, in het westen aan 't verdwijnen was.
Met vlugge schreden, den kraag omhooggetrokken en een weinig huiverend,
liep Alfons langs het smalle kronkelpaadje naar den breeden, mullen
zandweg. De zware popels om zijn huisje suisden hem nog even droomerig
na, en dadelijk daarop was hij in 't volle veld, tusschen de rechts en
links golvende, rijpende korenvelden. De hooge halmen, over het paadje
gebogen, gleden hem met de klam-kille streeling hunner bedauwde aren
over de handen en 't gezicht, en geurden zoet en frisch naar landelijke
heerlijkheid.
Hij dacht aan Rozeke. Gisteren, en ook al de laatste vorige dagen had
hij aan haar gedacht, omdat hij wist dat hij haar nu terug zou zien, dat
hij een dag, een ganschen vollen dag met haar zou mogen doorbrengen.
Maar een ontstemmend gevoel fronste plotseling zijn wenkbrauwen: er was
er nog een die naar haar verlangde en haar den ganschen dag zou zien:
Smul, boer Kneuvels' paardenknecht!
Hij bromde iets tusschen zijn tanden en vlugger nog, als in gejaagde
haast, liep hij door. Hij voelde reeds de nachtelijke frischheid niet
meer en sloeg den kraag van zijn wambuis weer over. Smul,... dat was de
vijand; hij kon hem niet uitstaan. Telkens wanneer hij een dag op de
hoeve kwam werken, moest hij zich met wilskracht bedwingen, of het zou
tot een uitbarsting, tot een vechten gekomen zijn. Dat was nu al vanaf
dien Kermisdag, twee jaar geleden, toen Smul zoolang met Rozeke gedanst
had. Zij had niet bepaald durven weigeren met hem te dansen, zij wou het
alleen maar heel kort maken; doch eenmaal in zijn bezit had hij haar
niet meer losgelaten, haar met geweld doen meedraaien, oneindig lang,
tegen haar zin, tot zij eindelijk niet meer kon, en huilend in zwijm
bijna, uit de armen van den woestaard in elkaar gezakt was. Hij, Alfons,
was dreigend in het midden gekomen, had hem met geweld het meisje,
--bijna zijn meisje--uit de handen willen rukken; maar Smul was veel
sterker dan hij, en weinig had 't gescheeld of het liep uit op een
gevecht waarin Alfons zonder twijfel een deerlijke nederlaag zou geleden
hebben.
Hij joeg die nare herinnering van het verleden uit zijn gedachte, en
even kwam een glimlach op zijn lippen. Rozeke hield van hem, hij voelde
't, hij wist het, al had ze 't hem nog niet gezeid. Hij zag dat telkens
in haar oogen, hij hoorde 't in haar woorden, al deed ze soms ook nog
wat stug en vreemd met hem; en hij had pret in zichzelf omdat hij het
zoo handig met boer Kneuvels had weten te schikken, dat niet de boer
noch zijn paardenknecht, maar wel hij de Van Dalens dien ochtend zou
gaan wekken. Hij eerst, voor alle anderen, zou Rozeke zien en met haar
spreken. Hij zou met haar, en met haar broeders en haar zuster, in de
vertrouwelijke duisternis van den nacht, den tamelijk langen weg
afleggen van hun huisje naar de hoeve, en daarna van de hoeve naar den
vlasgaard. Ook Smul zou haar zien, en met haar spreken, zeker, dat kon
ook niet anders, doch eerst later, als hij al ruim tijd en gelegenheid
zou gehad hebben, om haar te zeggen en te vragen, dat wat hij reeds zoo
lang van plan was en nu eindelijk brandde van verlangen haar te zeggen
en te vragen.
Hij was op een breeden, zandigen landweg gekomen, volgde dien een
eindje, stak dwars een steenweg over bij een kruispunt waar een eenzaam
huisje stond, volgde weer de kronkelige baan tusschen het hooge koren.
De doodstille zomernacht droomde. De geurende korenvelden stompten zich
aschgrauw gelijk twee vage muren aan beide kanten van den landweg af, en
daarover heen was niets dan een hooge, donkerblauwe oneindigheid,
tintelend van levend-gouden sterren. Hij zag geen boomen en geen huizen
meer: het was de volle nachtelijke eenzaamheid der heerlijk vruchtbare
landouwen.
Zoo liep hij enkele minuten door, in zachte opgewektheid van gedachten.
Op den onzichtbaren kerktoren van het dorpje klopte kort en hel een
slag: half twee. Een ander dorpje galmde tegen, heel heel zwak en verre,
als een kinderstemmetje dat antwoordt op een mannenstem. Vleermuizen
fladderden geruischloos om hem heen, muggen gonsden droomerig in de
groote stilte, en zijn eenzame schreden klonken in kadans, dof-klompend
door het mulle zand. Weldra draaide en kronkelde de weg in een reeks van
grillige bochten tusschen slooten en boomen, en eindelijk kwam hij op
een klein gehucht met spitse, bleeke geveltjes naar den straatkant, en
reuzen-populieren, die hun donkere kruinen, hoog in den blauwen
sterrennacht, over de stille daakjes uitspreidden. Daar was het. Zijn
klompen, galmend in de doodsche stilte op het smal plaveisel tusschen de
huisjes, deden plotseling de honden blaffen. Hij telde de woninkjes:
twee, drie, vier,... in donkere, gesloten rust achter de boomgaardjes;
en voor het vijfde hield hij stil, tilde den sluitboom van het hek op en
stapte over 't smalle paadje door het gras naar het woonhuisje toe.
Zijn hart klopte gejaagd. Hij wist niet waar ze sliep: voor of achter.
Alleen wist hij dat rechts van de deur het keukenraampje was, en links
daarvan een slaapvertrek. Hij hoopte, zonder eigenlijk precies te weten
waarom, dat zij aan den voorkant sliep, en dat hij aan het raampje van
haar kamertje zou tikken.
Hij stond voor 't raampje, de luikjes waren dicht. Hij trok er zachtjes
aan. Zij boden weerstand. Toen tikte hij, driemaal, niet hard, met de
kneukels op het hol-klinkend hout.
Iemand bewoog zich in een bed daarbinnen. Hij wachtte even. Toen tikte
hij opnieuw, twee maal, zachter.
"Wie es er doar?" vroeg plotseling een zware, slaperige mannenstem.
De teleurstelling deed hem 't antwoord even schuldig blijven. Hij had
zoo gehoopt aan Rozeke's venster te tikken.
"Es er doar iemand?" vroeg opnieuw de stem, norsch-wantrouwend en nu
heelemaal wakker.
"'k Ben 't ik, boas Van Doalen," antwoordde Alfons eindelijk, "'k Kom
ulder opkloppen veur de slijtinge."
"Haha!" knorde de stem gerustgesteld. "Wacht'n beetsen, 'k zal open
doen."
Alfons trok van het raampje weg, en kwam bij de voordeur, terwijl vader
Van Dalen, opgestaan, nu met groot geluid daarbinnen zijn familie wakker
maakte.
"Roze, La, Miel, Dolf, ala toe, opstoan! 't es tijd!" hoorde Alfons hem
roepen. En dadelijk was hij aan de deur, waarvan hij ratelend den
grendel wegschoof, en spoedig openmaakte.
Alfons trad binnen. Vader Van Dalen, barrevoets, in broek en hemdsmouwen,
begroette hem met een gullen "goen dag" en ging hem voor in 't keukentje,
waar hij een lichtje opstak.
"Zet ou 'n beetsen;--wa veur 'n weer es 't buiten? scheun slijting-weer,
he?" praatte hij met luid-galmende stem, alsof hij op den akker was; en
opgewekt ging hij daarover door, bewerend dat 't een zomer was die al de
boeren rijk zou maken, als dat prachtig weer nog maar enkele weken
aanhield. Hij had het lichtje ietwat hooger opgedraaid, en Alfons zag
hem nu zooals hij hem sinds lang al kende: middelmatig van gestalte, met
sterk afgeteekende, vriendelijke gelaatstrekken, het rechter-oog
fel-levendig en helder, het linker als een doffe witte bal, uitgedoofd
en doodgegaan in een ziekte, jaren geleden.
Binnendeuren gingen open, en van rechts en links kwamen de zonen en de
dochters met een korten ochtendgroet te voorschijn. De gezichten stonden
vermoeid, de oogen waren nog beneveld door slaap, de bewegingen loom en
langzaam. Miel en Dolf, de eerste lang, blond en mager, de tweede kort,
donker en dik, met groote, zwarte, te wijd van elkaar staande oogen,
kwamen van de zoldertrap, en La en Rozeke verschenen samen uit de kamer
rechts.
Daar sliep ze dus, dacht Alfons met kloppend hart; en zijn oogen bleven
als betooverd op haar gevestigd.
La-tje, blond als vlas en mollig als een poesje, groette hem met een
lieven glimlach en een vriendelijken blik van haar lichtblauwe oogen;
Rozeke, ietwat grooter en tengerder, met zacht krullend bruin haar en
frissche wangen, begroette hem slechts met een vluchtigen blik en een
haastig, als 't ware bedeesd "dag Fons", haar heel-kleine klompjes in de
hand, haar grauwe werkschort en blauw-linnen zonhoed aan den arm.
"Wilt g' iets drijnken?" vroeg vader Van Dalen op aanmoedigenden toon
aan Alfons.
Maar hij had geen zin, hij dankte, ietwat onthutst door Rozeke's koel
onthaal; en zij vertrokken met hun vijven, door den vader tot aan 't hek
gevolgd.
De zomernacht was onveranderlijk zacht-geurig-frisch van landelijke
aroma's, met de oneindige, donker blauwe sterrenkoepel over de
grauw-duistere uitgestrektheid van de stille, nachtelijke velden. Zij
liepen in een dichtgeschaarde groep, hun klompen dof-klopperend in het
zand, allen even-huiverend met opgetrokken schouders onder de eerste
aanvoeling van koele frischheid. De jongens zetten hun kraag op, de
meisjes sloten haar borstdoek dicht om den hals, en liepen
klappertandend, met haar handen in de mouwen. Maar na een poosje hadden
zij het ook lekker warm; de schouders zakten en de kragen vielen neer en
zij begonnen over het werk van den dag te praten.
"Weet-e gij, Fons, mee hoevele da we zillen zijn?" vroeg Miel.
Alfons noemde op: Bros Cnudde, Drieske Nijpers, Miel Pese, Sies de
Seissekoker, Vaprijsken en de Krommen Bulcke als mannen: Sieska
Verhelle, Fietje Cleemens, Maaie Troet, Irma Pese, Liza Cloet, Mietje
Moor en 't Geluw Meuleken als vrouwen; dat was dus samen, met hun vijven
meegerekend, achttien.
"'t Es drei man te weinig, we'n zille veur den negen van den oavend nie
gedoan hen," bromde Dolf, Rozeke's jongste broeder.
Allen waren 't met hem eens; het was te weinig, eigenlijk wel vijf, zes
man te weinig voor zulk een uitgestrekten vlasgaard als dien van
Kneuvels. En duchtig begonnen de twee Van Dalens af te geven op den
boer, die stommerik, die hakkelpot, die luiaard, die heele dagen dronken
op zijn hof of in het dorp liep, en zoo slecht op zijn zaken paste dat
hij nooit menschen noch beesten genoeg had om al zijn achterstallig werk
gedaan te krijgen.
"Dat hij Smul, zijne peirdeknecht, nie 'n ha, hij zoe 'em in twie joar
tijd 't hoar deur zijn mutse boeren!" schimpte minachtend Miel.
Dolf en La beaamden die woorden door een goedkeurend gemurmel, maar
Alfons fronste even in de duisternis zijn wenkbrauwen, toen hij Smul,
zijn vijand, aldus door Rozeke's oudsten broeder hoorde roemen. Hij had
zich dicht bij Rozeke geschoven, doch het gelukte hem geenszins, zooals
hij gehoopt had, zich met haar van de anderen af te zonderen. Zij deed
niet mee in 't algemeen gesprek, zij liep zwijgend naast La, die des te
drukker praatte en lachte, en alleen 't geklepper van haar kleine
klompjes, die trouw met de klompen van de anderen in stapkadans
meeklapperden, getuigde dat zij solidair met het gezelschap medeging. In
het duistere van den nacht kon hij niets van haar gezicht zien; en daar
zij niet meer notitie van hem nam als van een vreemde, kropte 't in zijn
keel van ingehouden droefheid, en vroeg hij zich wanhopig af wat hij
haar wel onbewust misdaan mocht hebben, toen zij eensklaps, als 't ware
door zijn stilzwijgen benauwd, het hoofd half naar hem omkeerde, en hem
met een lief zacht stemmetje vroeg hoe het nu met zijn moeder ging.
"O, goed, heul goed," antwoordde hij haastig, met een plotseling gevoel
van innige dankbaarheid en warmte, omdat ze niet boos was op hem zooals
hij vreesde. En eerst nadat hij zoo instinctmatig, op een innigen
juichtoon had geantwoord, wijzigde hij zijn al te optimistisch gezegde
en bekende dat zijn moeder wel iets beter, maar toch nog heel heel
zwakjes was.
"'t Zal beteren as 't weere wa afkoelt; 't he toch zeu woarm geweest de
loatste viertien doagen," meende Rozeke.
Hij liep een poosje zwijgend naast haar, gansch ontroerd van vreugd,
zijn geest inspannend om nu toch ook weer iets te zeggen dat het gesprek
zou gaande houden. Maar hij kon eensklaps niets meer bedenken; al de
woorden die hem op de lippen kwamen zeiden heel andere dingen dan wat
hij mocht of durfde uitspreken, en hij voelde zich ellendig en onhandig
als een dom, onmondig kind. Hij beet op de lippen en in de duisternis
verkrompen zijn gelaatsspieren als van pijn, terwijl hij haar zoo heel
dicht aan zijn zij zag loopen, zoo heel en al in zijn bereik en lief
gestemd nog, maar inwendig zeker reeds teleurgesteld, omdat hij nu zoo
weinig op haar tegemoetkomende vriendelijkheid inging.
Zij waren bij den ingang van het dorp gekomen en moesten er dwars door
om dan verder weer den weg naar boer Kneuvels' boerderij te volgen. En
nauwelijks kwamen zij tusschen de eerste huizen in het hol gegalm van
hun klompen op het hobbelig straatplaveisel, of daar hoorden zij, van
uit een zijstraat, luide kreten in de stilte van den nacht weerklinken.
Zij hielden even stil en luisterden, en dadelijk wisten zij dat het
andere slijters waren, die ook naar boer Kneuvels' hoeve gingen en bij
het hooren van hun stappen naar hen hadden geroepen, wel vermoedend dat
zij voor hetzelfde doel zoo vroeg van huis trokken.
Het waren twee mannen en twee meisjes: Bros Cnudde en Vaprijsken, met
Liza Cloet en 't Geluw Meuleken. Zij juichten luid toen zij zoo
onverwacht de Van Dalens en Alfons om den hoek der straat ontmoetten, en
in een drukke lawaaiige groep gingen zij nu samen verder de stille Groote
Dorpsstraat in, reeds opgewonden door 't vooruitzicht van den langen dag
van gemeenschappelijke pret en zwoegen, die nu reeds begonnen was.
Bros Cnudde zette 't in met het traditioneel, luid-galmend geroep:
"Zijn we te goare?"
waarop al de anderen antwoordden:
"Joa w'!"
"Blijven we heul den dag te goare?"
"Joa w'!"
"Goan we bij boer Kneuvels slijten?"
"Joa w'!"
"Goan we veel dzjenuiver drijnken?"
"Joa w'! Joa w'!"
Zoo ging het voort, in allerhande juich-en-nonsenskreten, uit louter
opwinderij, omdat het nu eenmaal de gewoonte was bij 't slijten, dat men
den langen, zwaren arbeidsdag door zooveel mogelijk pret en opwinding
vervroolijkte. Zij gilden en zongen, en stampten met hun klompen op de
klinkende straatkeien, om de rustige, slapende burgers ook eens goed te
ergeren; zij schudden aan de enkele, nog brandende lantarens in de
stille, donkere straat; zij keften tegen de razend-keffende hondjes
achter de gesloten deuren, kraaiden op 't gekraai der hanen, en bootsten
ook het gemiauw van katten na; en midden op de brug van het kanaal
dansten zij hand aan hand een ronde, stampvoetend dat de ophaalketens in
hun hengsels ervan schommelden en klapperden. Zij moesten 't maar weten,
al die vette luilakken van burgers die nu in hun bed lagen; zij moesten
ook maar eens om een uur 's nachts opstaan en mee gaan slijten; en
meneer de pastoor en zijn meid moesten het ook maar weten, en meneer de
notaris en meneer de burgemeester moesten 't ook maar weten; zij waren
slijters en de rest kon hun niet schelen... en verder trokken zij door,
het geheele dorp uit zijn nachtelijke rust opschuddend, schreeuwend,
zingend en klompen-klabbetterend tot zij weer buiten waren, in de
eenzaamheid en stilte van het nachtelijk zomerland.
Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar
stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den
uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel
verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun
kettingen.
Een voor een traden zij door de openstaande voordeur en een gangetje
binnen, en kwamen, links, in de helderheid van een groote plaats, de
oogen knippend tegen 't licht, en machinaal "elk ne goen dag" wenschend.
De ruime boerenkeuken met haar glimmend tin en koper boven op den
breeden schoorsteenmantel en alom tegen de muren, was reeds druk gevuld
met mannen en vrouwen, die op twee lange houten banken aan beide zijden
van een lange ruw-houten tafel zaten te eten en te drinken. Alfons
herkende beurtelings Maaie Troet en Mietje Moor, Sieska Verhelle en
Fietje Cleemens, Miel en Irma Pese, Drieske Nijpers, Sies de Seissekoker
en de Krommen Bulcke. 't Was al jong volk, behalve Sieska en de Krommen
Bulcke, en zij juichten allen luid toen zij de bende der Van Dalens
zagen binnenkomen, en schoven joelend op elkaar om plaats voor hen te
maken. De boerin, een jonge, knappe vrouw, met levendige donkere oogen
en zwarte haren, liep bedrijvig heen en weer om allen te bedienen; de
boer, een veertigjarige lummel met paarsrood gezicht, stond, bij den
schoorsteen geleund, tegen de dichtst bij hem zittenden te brabbelen en
te hakkelen.
Alfons merkte, met een enkelen blik, dat Smul, de paardenknecht, in de
keuken niet was.
Hij nam plaats bij de anderen, naast Rozeke, op een der lange houten
banken, en zij gebruikten hun eersten maaltijd: dikke tarwesmouterhammen
met groote koppen slappe koffie. Zij hadden honger van het loopen door
de frissche nachtlucht en aten vlug en zwijgend in het druk gebabbel van
de anderen, omdat zij reeds wat laat waren. De hooge stapels wit brood
smolten als sneeuw op de breede, platte teilen. De ouderwetsche klok in
haar lange eiken kast tegen den achterwand sloeg langzaam twee uur.
Enkele mannen stonden op en staken hun pijp aan; de vrouwen ontplooiden
haar grauwe werkschorten en stroopten lange grauwe mouwen over de
voorarmen.
"Ala k... jongens,... 't... 't zal tijd worden," hakkelde de boer. De
laatst aangekomenen slokten en slorpten met haast de groote brokken en
de lauwe koffie in, en weldra stonden allen klaar. Toen ging de deur ruw
open, en Smul trad binnen.
"Elk ne goen dag!" riep hij bruusk, zonder iemand aan te kijken; en hij
ging naar de tafel, nam een smouterham, schonk zichzelf een kom met
koffie in, en begon nu ook, zonder te gaan zitten, schrokkig te eten en
te drinken.
"He... he he-je de peirden al gegeen, I... I... Ivo?" vroeg stotterend
de boer.
"Joa ik," antwoordde hij lomp, zonder zijn meester aan te kijken. En
zijn barsche blik bleef eensklaps strak gevestigd op Rozeke, die hij nu
naast Alfons ontdekt had.
Instinctmatig keek zij even met haar heldere oogen naar hem op, terwijl
zij haar mouwen aan 't vaststrikken was, en met een korte rilling, als
van schrik, sloeg zij die dadelijk weer neer, terwijl een lichte kleur
over haar wangen kwam. Alfons merkte het en zijn wenkbrauwen trokken
zich samen. Boos-wantrouwend keek hij den paardenknecht vlak in 't
gezicht. Smul, de wangen kauwend, de lippen aan zijn koffie, staarde, al
over den rand van zijn kom, brutaal onverschrokken, Alfons' blik tegen.
De rosse stekels van zijn snor stonden als 't ware dreigend overeind;
zijn kleine oogen glinsterden, staalblauw en hard. Geen van beiden sprak
een Woord, maar in hun zwijgenden kruisblik lag al de haatdragende wrok
van hun oude vijandschap.
"'t Zal zomer zijn van doage!" riep enkel Smul op een toon van
uitdaging, als gold het een schimpende hatelijkheid die een ieder wel
begrijpen moest; en meteen zette hij ruw zijn kom op de tafel neer, en
drong met groote, haastige schreden, door de drukke groep heengaande
slijters naar de deur.
"Loast an 't eten, iest an 't wirken!" hoorde men hem nog even buiten
roepen, terwijl hij in het donker deurgat van den paardenstal verdween.
* * * * *
De slijters stonden allen buiten op het erf nu, en als een dichte,
grauwzwarte groep, gingen zij, luidruchtig pratend, onder dof
klompengetrappel, naar het openstaande hek. De boer volgde, met onder
iederen arm een groote flesch jenever. Woest blaften de waakhonden, en
de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier
en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij
boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend
door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de
anderen, liep Alfons naast Rozeke. Zijn hart was zoo vol, uren en uren
lang had hij met haar wel willen spreken, en nogmaals vond hij geen
woord. De tegenwoordigheid van al die anderen hinderde en benauwde hem,
maakte 't hem onmogelijk haar iets te zeggen, hoewel hij instinctmatig
voelde dat ze naar zijn woorden wachtte. Had hij de uitdrukking van haar
gezicht maar kunnen zien, had hij maar eerst zwijgend kunnen spreken met
zijn oogen, dan zou het zich wellicht van zelf in hem ontboezemd hebben;
maar hij zag niets dan die vage, donkere gestalte naast zich, en hij
voelde wel dat alles wat hij zeggen zou misplaatst en wanluidend zou
klinken. Hij keek haar van terzijde aan, tersluiks, met schuwe oogen;
wachtend op hij wist niet wat in zijn toenemende bedeesdheid, wachtend
op een woord van haar, op een toevallige aanvoeling, op een gezegde van
een ander, dat hem aanleiding zou geven om ook te spreken en uit zijn
onuitstaanbaar-drukkende knelling verlost te zijn. Hij voelde zich
bespottelijk worden, het suisde in zijn ooren, hij moest, hij zou iets
zeggen, om 't even wat, al was het nog zoo dom, en hij opende reeds
machinaal zijn lippen, toen plotseling, aan zijn andere zij, in het
geraas der drukke bende, een schelle stem opging, een lachende
scherts-stem, die plagend vroeg:
"Wa scheelt er aan dat-e gulder tegen mallekoar nie 'n spreekt? Zie-je
mallekoar nie geirn mier dan?"
Als onder een schok keerde hij zich om en herkende in de duisternis de
struische gestalte van Irma Pese. Onopgemerkt was ze naast hem komen
loopen. Haar oogen glommen van ondeugende pret in 't donker, en even zag
hij, als een kleine lichtstreep in haar vaag gezicht, de witte
schittering harer tanden.
"Wa vertelt-e gij doar!" riep hij gansch onthutst, en meteen keerde hij
zich naar Rozeke, en staarde haar peilend in de duisternis aan.
Het kwam hem voor of haar gelaat, tot nu toe door het grauwe van den
nacht omneveld, zich plotseling met bijna duidelijk omlijnde trekken
bezielde. 't Was als een vage, teere straling om haar fijn profiel, een
glimlach als van zoete stille vreugd, een uit de duisternis opleven en
hem te gemoet komen van gansch haar zacht en ietwat tenger wezentje. Hij
voelde eensklaps als een tinteling heel zijn lijf doorstroomen, en het
ontsprong als van zelf uit zijn lippen, het borrelde en bruiste op als
't water uit een bron, terwijl hij zich, met snel-hamerend hart en
jagenden adem, weer tot de dikke vroolijke deerne wendde:
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12