A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Book Prizes Awarded With Nod to History
In P. D. James’s latest exercise in impeccable detection, a muckraking London journalist worms her way into a private clinic on a country estate — and ends up the victim of a ghastly murder.

Books of The Times: Despite a Ghastly Murder, Remember Your Manners
New books by Wally Lamb, Kate Jacobs, Dean Koontz, Mark Barrowcliffe and Julia Leigh.

Newly Released
Tiny Summit Entertainment finds itself sitting atop one of the biggest pop-culture phenomena of recent years.

Cyriel Buysse - Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2



C >> Cyriel Buysse >> Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11


HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN

ROMAN IN TWEE DEELEN

DOOR

CYRIEL BUYSSE

TWEEDE DEEL



1905


* * * * *


XIII.


Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol
emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een
onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en
flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en
vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar
bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan
Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig
zonder onvoldane wenschen.

En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand
begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als
zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms
woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge
bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander
warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren
waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, over-rijpe peer of
appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte
twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden
ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook
zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder,
met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige
rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van
purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange
rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend
van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en
overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag
nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte
zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's
achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar
als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend een-oog; en
't kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-
glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna
met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind
dichter bijgeschoven, zoo helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er
soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.

Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer
dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam
Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo
vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat
zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend
hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele
stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het
water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal,
of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij
voelde alleen maar dat het van heel heel verre kwam, als uit een andere,
haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om
aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles
toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel
reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de
postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij
daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zoo
schoon, o, toch zoo wonderschoon midden in een schat van bloemen op een
groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en
't Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en
bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar
onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige
intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den
hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van
weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn
voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het
opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan
den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde
laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.

Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde
illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een
kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks
en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't
licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak
een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor
hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een
vuil-rood geworden decoratie-lapje.

"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende
tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
sportblad voor haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging
hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.

"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in
't begin, door zijn deftigheid geimponeerd en hem niet goed begrijpend.

"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de
schoolmeester met nadruk, eenigszins geergerd dat zij niet dadelijk zijn
mooie taal verstond.

"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde
Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"

"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.

Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine
even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten
van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-
glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht
bij 't raampje, om goed te kunnen zien.

"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd het, miester, 'k 'n ha
moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van
hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten
verontschuldigen.

Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid
in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren
en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met
toenemende belangstelling.

"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is,
van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.

Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend
en antwoordde ietwat schuchter:

"Ba joa 't e-woar, miester? Z'he zij mij lijk altijd nog al wel keune
verdroagen."

"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als
voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.

En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins
verbitterd uitriep:

"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel
wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
ben!"

Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd-
onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem
ietwat verwonderd aan.

"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde
zij.

"Ja zeker, zeker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker,
het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste
menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog
genoeg waardeeren!"

Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende
woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk,
terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:

"En da Fransch, miester, he-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't
es?"

"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam
de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
oreeren:

"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in
het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer
is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien
en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italie
komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken,
waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de
wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De
sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die
schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de
boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken
en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in
den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er
nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het
Aardsch Paradijs ge-eeten."

"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij
waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:

"En hoever es dan wel van hier, miester?"

"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf
onderd uren!"

"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.

"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit
rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewel, in die
plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo
ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen
en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed
nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron
Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als
zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij
in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in
zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw.
Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."

"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.

"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de
gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en
vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het
kort artikeltje.

"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke
vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:

"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."

De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed
gevleid.

"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter,
degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan eene taal
kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou
ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is
en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
waardeeren."

Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:

"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal
kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding
van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook
wel iets voor mij zult willen doen?"

"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.

"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones
d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn
pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou
kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.

"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme
zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch
mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."

"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij
tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten
zoudt."

"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie
vergeten."

Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke
nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even
vriendelijk aan.

"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd.
"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die
't aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."

"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever
schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en
vreugd.

Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den
drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en
stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met
afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn
achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel
wijsheid en verstand in stak.

Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette,
zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.



* * * * *



XIV.


Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel
van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen.
Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en
moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op,
wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht
kon worden.

Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide
zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange
discussie had plaats.

"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende
Miel van Dalen.

Boer Dons maakte zich kwaad:

"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"

"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n
joar of twiee noar niet," glimlachte Miel.

"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar
of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.

"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie
kontroarie zeggen," suste Miel.

Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden,
zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen
baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles
ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap
gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.

Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.

"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van
een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van
boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij:
"Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leen, den ieste kier dat ze
weere peirdig es!"

"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich
onverwachts in het gesprek mengend.

Verwonderd keken allen op.

"Woarom niet?" vroeg Alfons.

"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk
wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.

Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van
Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog
meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.

"Vaprijs 'n he gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es
't goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat
't es."

"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van
vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.

Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij
schetter-gilde naar Rozeke:

"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van
twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"

Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van
verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist
niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween
eensklaps in de binnenkamer.

"He, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.

Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.

"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker
doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.

"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd
mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.

Vader Van Dalen lachte:

"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare
grond!....

"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n het! Hoe verstoa-je
datte?" schetterde de oude.

Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een
"dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met
Rozeke.


[1] Pourtant.



* * * * *



XV.


Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December
in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zoo
gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden.
Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.

Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige
oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de
effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
van mist en sneeuw en motregen.

Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte
nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om
er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer
Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap
leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en
hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het
oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.

Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een
groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
merrie en vertrok.

Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een
behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en
schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich
niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.

De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den
lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen
klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten
sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo
vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes
met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere,
frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen
der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd
in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als een oneindige, dikke,
loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.

Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en
eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en
gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!

Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn
dijen en knieen zoo doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende
slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.

Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een
borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In een teug sloeg hij die met
een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten
drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar
hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij
aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.

Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij
dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden
met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en
drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor
de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel
zakken. Hij voelde zich zoo ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om
de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad
binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke
vrouw en enkele kinderen.

"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weerkes, he? Joa joa, we zillen hem
al gauwe ne woarme spoelkom kaffee mee nen boterham en 'n firme schel
heufvlakke geen!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een
vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen
hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en
krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een
dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.

Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel
kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder
te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon
hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom
koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij
den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.

De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond
hij weer op.

"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt,"
raadden de boer en de boerin hem dringend aan.

"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat
zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in
zijn eigen ooren klonk.

"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de
boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de
stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.

Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het
zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen
ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren
als lood.

Hij wenschte "elk ne goen dag" en vertrok. Hij had slechts een
verlangen, een behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met
gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.

Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug,
af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen
als 't ware vluchtend voor hem uit, en hij zelf voelde zich mee
gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn
halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een
dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind
niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en
zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een
kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal
op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam
draven van zijn kalm geworden paard.

De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een
doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den
grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam.
Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den
drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij
den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo
machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw
met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen
afstijgen.

"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend.
Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en
zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en
struikelde gebogen naar binnen.

"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k
he goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem voor het
haardvuur brengend.

"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast
onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.