Cyriel Buysse - Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
C >>
Cyriel Buysse >> Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11
"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij
blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"
Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien
wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van
onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en
zij zuchtte, als in een stille bede:
"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven
mier 'n zag!"
Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en
Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te
hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een
versterking van haar eenige, laatste hoop.
En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste
maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor
het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,
gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het
boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zeker dat hij
haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, voelde dat hij
haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan
zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan
de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem
aarzelend op een afstand vergezelden.
Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,
beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn
woorden:
"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul
gevonden hen."
"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.
"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "When hem doar
uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat
diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend het.--Hij es al leulijk
aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hen of moen w'hem ginter houen? Hij
ligt in den stal van 't gemientenhuis."
"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate
moaken," antwoordde zij dof.
"En moet g'hem nie mier zien?"
"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig
hoofdschuddend.
"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."
En met een korten "goen dag" was de veldwachter weer weg. De
nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard
meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....
* * * * *
XLVIII.
Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De
harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling
uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk
toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't
instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de
speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets
aan haar verder leven schikken kon.
Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal
weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat
stond voor haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet
meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen
leven....
En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en
weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende
seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om
haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar
broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en
haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve
voelde zich langzaam aan een oudje worden....
Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer
en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat
trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die
gewenscht en voortgesteld had.
Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest,
dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,
zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood
van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wel gehoopt
dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij
beheeren.
Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen
haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als
hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had
kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog
zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een
deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij
haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een
heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhemar
en Berenice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een
soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal
vreemde was.
En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de
nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer
verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar
oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest
beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte
geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu
liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was
zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en
ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij
verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog
enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpetue!...
Soeur Vincent-Perpetue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar
had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van
Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de
boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die
haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het
eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds
geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van
haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't
verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten
zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en
karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die
iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal
zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal
betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op
heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.
Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid
en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de
herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot
en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan
kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de
meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch
slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld
door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee
bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;
twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zoo innig had
liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!
Die alleen leefden, leefden steeds intens voor haar!--Met die twee
leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige
verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde
stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen,
terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de
schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven
duren....
Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in
de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar
toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een
sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging,
dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...
dat zij weldra bereiken zou.
Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend
in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij
hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het
ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't
nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar
haar plaats tusschen hen bewaard bleef....
In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze
aarde haast niet meer. Nog een stapje, nog een oogenblikje wachtens ...
en zij was er....
Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden
najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als
een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo
stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen
in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar
het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar
wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch
niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm
gelaat.
Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een
onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken....
Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie
van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,.... haar man en haar
vriendin,... in onverstoorbaar geluk,... voor altijd,... in het
eeuwige....
* * * * *
AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905
EINDE.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11