Cyriel Buysse - Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
C >>
Cyriel Buysse >> Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11
Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was,
sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij
zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet
in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep
wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel
openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, en Smul, en
't Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij
niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit
beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wel als ongeluk en
tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal
zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't
onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook
niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en
deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n
schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't
was nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij
al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend
noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde
zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om
hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den
arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch
van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar
kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of
stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en
Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel
niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam
onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel,
het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er
in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte
wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette,
zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.
* * * * *
XXIX.
Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke
antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles
best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge
barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods
met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn
gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt;
hij mocht nog niet terugkomen; hij mocht niet plotseling, zonder
overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den
vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een
ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje,
waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar
macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast
scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was
blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed
uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke
koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch
om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje
van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden
komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind
vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n depeche?...
veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het
jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe
van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de
oogen schemerend:
"Ik kom van avond terug.
ALFONS."
XXX.
Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!
Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij
had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem
verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde
ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij
naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam
terug en dat geluk overtrof en vergoedde alles; nu zou ze niet geduld
hebben dat hij nog maar een dag, nog maar een uurtje langer weg bleef.
Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen
was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in
huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't
boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de
schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar
uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend
weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste
in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen:
"Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"
Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij
langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar
onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel
gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in
den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan
eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom
was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos
op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog
langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst
opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.
Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te
vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met
zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee
te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het
rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van
haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar
ouders zou gaan waarschuwen.
Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het
was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen
minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar
buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en
stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te
luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar
kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm
en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler,
heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige
duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen
weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans
knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het
zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen
van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek
gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche,
schorre angststem:
"Es hij doar?"
"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.
"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken
naast het rijtuig meehollend.
Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde
haar als met doodschen angst.
"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend.
De sjees had voor den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch
eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:
"Azeu ... stillekes."
"Och Hiere toch!" kreet zij.
Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis,
het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed
was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de
zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den
breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die
schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar
angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de
voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap
zijn hand uit.
"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.
En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde
eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:
"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."
"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."
Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met
't Geluw Meuleken naar binnen.
"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.
"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.
"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n he ou nog nie
gezien, 'k 'n he ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.
Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke
schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam
kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als
ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten
leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk
glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen
woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat
daar voor haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar
onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de
inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het
Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den
drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.
"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht
van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.
"O, goed, alles heel heel goed," haastte zij zich te antwoorden; "de
stal, de kinders, 't veuleken, alles heel heel goed."
Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd,
voor zich uit.
"'K 'n kost het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kost nie mier, 'k zoe
d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.
"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge
tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets
eten?" riep ze eensklaps levendig.
Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.
"'K 'n kost nie mier, 'k 'n kost nie mier! 't Was alles goed, moar 'k
moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ...
't es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie
helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."
Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart.
Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te
laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was
hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen
praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu
eten of drinken wilde.
"'K 'n he gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.
Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te
warmen.
"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte
hij, streelend haar hand nemend.
"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.
Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een
schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes
weer opleefden.
"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij.
"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken?
'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe
weer es goa 'k ne kier tot in de stal."
"'t Es toch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge
meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."
"Sloa ze?" vroeg hij.
"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken
'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie
altijd bij goan."
Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte
even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.
"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.
"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K
ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."
Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:
"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"
Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een
schuldige, met rood zich kleurden.
"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En
plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd,
kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende
tranen uit.
"Ach Hiere! moet er da nou euk nog bij komen," klaagde hij.
Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij
kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.
"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog,
hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.
Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren
klik, en keerde zich toen om.
Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.
Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....
* * * * *
XXXI.
Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen
hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde
naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in
haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de
doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen,
zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te
staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren
en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de
groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar,
gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets
van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds
terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de
breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die
af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken
middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje
vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even
op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om
de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het
bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
stond het voor zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne
hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn
recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille
verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte
bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte,
in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde
bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden
staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een
geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg
en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de
borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn
kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste
jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder
schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide
Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch
onverbiddelijk wist.
Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en
vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie
'n zilt hirtreiwen."
"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
"Da beloof ik ou zeker! da zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e
toch aan zulk 'ngedachten?"
Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij
eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen
en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle,
gele wangen, in zijn zwarten baard....
Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad:
Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader,
oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een
"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had
gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't
raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het
zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en
een gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat
hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op
zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om
't kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer
binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd.
Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen,
vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze
staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij
ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar
plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en
stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van
angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem
en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de
volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nog dieper over
hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna
onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht
neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als
de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even
zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het
eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het
was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de
onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van
onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene
kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist
het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek
zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet
bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was;
't was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging
rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het
Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur,
klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden
kleivloer.
De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere
gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar
hem informeeren kwam.
"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een
droom.
Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel,
aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken
in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen voor de
oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos
lang....
In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje.
Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig
klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag
op den harden kleivloer.
Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren
lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook
Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de
begrafenis te regelen.
Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets
merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen
zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge
koorts te bed lag.
De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels
stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het
erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was
stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje
kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het
Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En
iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee
paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos voor
den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als
naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag:
"Bezinne, es 't mee ouen dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen
moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks
hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes
teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders,
dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even
buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en
keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis
de kinderen bezig.
Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een
stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts
en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich
op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige
stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
wagen van het erf.
Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als
't ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en
weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere,
op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den
zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten
gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende
kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken
en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen
handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote
uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin
het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer
zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald
geroep....
* * * * *
XXXII.
Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone
leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou
nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11