Cyriel Buysse - Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
C >>
Cyriel Buysse >> Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10 |
11
En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor
zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen,
door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding,
in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren;
en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede,
gruwelijke scene in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook
maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen
sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het
Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel
of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat
hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in
de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij
haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch
deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar
onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs
niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof
hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde,
barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen
had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra
alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.
En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel
dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en
barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets
vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts
met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste
aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets
zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan
plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.
Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu
hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeer leek dan vroeger. Hij zag er
slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken
uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat
en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van
zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen,
voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets
willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar
wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde
hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel?
Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?"
Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het
kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar
ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem
angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde
eindelijk los zou barsten.
Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn
pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had
verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en
Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte
Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die
doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even
door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij
ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't
werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien
zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis
was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering
hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader
en moeder en Miel thuis bleven wachten.
Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde
houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar
gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen,
donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande
hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch
ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het
helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.
Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een
bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De
kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de
beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had
last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit
zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn
morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote,
stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en
zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag
leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder
schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend
armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
nestje zal gaan vliegen.
Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde
teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit
de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij
't toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op
het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een
droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms
zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo
kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of
van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in
haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie
hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar
zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu
doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen
dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....
Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de
openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna
hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van
blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een
lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de
onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje
wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie
schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af.
Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje
zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam
slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.
Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend
naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht:
"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit
't dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een
groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide
stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:
"Scheun weer, he?"
"'t Es pertijkelier!"
Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar
vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en
vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen,
daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er
hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje
buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen
zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis
toetreden.
Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar
twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij
zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
weer weggaan.
Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.
"'t Es woarm, he, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze,
ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van
emotie krijgend.
"Merci, 'k 'n he gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet,"
antwoordde hij kortaf.
Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en
betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en
dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.
"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.
Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel,
vlak voor haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het
tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.
"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n
kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"
Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het
zoolang gevreesde komen.
"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij.
"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij
met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend
is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn
gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht
terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of
knecht."
Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.
"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust
van wat ze zei.
"'K ben knecht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier
giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij
hirtreiwen, of ik hier wig."
Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond
ineens voor haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er
van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een
kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een
sterk besluit:
"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ...
Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!"
Als door een veer bewogen stond hij op.
"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien
doagen."
En voor ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.
Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het
raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en
vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.
"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van
ontroering.
Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken voor haar voeten steeds te
knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag
Marietje in haar wieg te jubelen....
* * * * *
XXXVI.
Smul had zijn dienst opgezeid!--Dat was het groote, dadelijk alom in de
buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en
bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die
om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd
dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er
eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen,
met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel
goede, blijde tijding.
Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet,
ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde.
De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er
naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij
was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij
met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de
drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte
opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn
beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen,
babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de
oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren.
"Hij he hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een.
"Z' he hem zelve wiggezonden!" meende een tweede.
"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een
derde.
Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk
een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn
uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet
zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend
in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend
dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw
zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het
werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel
van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog
steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in
't neerritselend koren bogen.
Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst
en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze
hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het
gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar
gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een
anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist
geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd.
Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was
op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke
beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet
voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig.
En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul
zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was
radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken
naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot
na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet
te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij
wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar
iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te
wisselen.
Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met
zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar
't dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten
even, maar toen hij daar om half-een nog niet was, at Rozeke zonder hem,
met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij
zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon
geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel
bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden
had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week,
denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en
er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou
hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't
allerdringendste te helpen doen.
Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch
getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou
dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die
er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de
laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en
zooals Smul na hem ook had gedaan.
Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de
concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve
zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij
betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af?
Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo
zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij,
het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden
zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet
kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die
nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige
verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar
onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en
rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens
in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't
dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in
den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie
wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis
om op de kinderen te letten.
Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok
meteen de velden in.
Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote,
vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar
reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange,
lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in
roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun
miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch
klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig
opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun
rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in
zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche
velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers
uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en
lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en
rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden
avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die
den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo
prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo
verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange
schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust,
vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen
opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al
die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht
ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie
had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt,
haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om
ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van
dichtbij na te gaan.
Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter
dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den
ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een
versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders
en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig
naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met
gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al
haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte,
roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar
verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook
er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet
veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij
was een uitmuntende stalknecht.
Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden
koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar
ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een
moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde
haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis,
terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een
trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke
boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche,
dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.
"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste,"
sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar
begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een
ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn
krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje
suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in
een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op
en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet
het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog,
hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat
tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde
goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een
tweede deur in de schuur.
Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en
de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge,
stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar
verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote
hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als
een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo
welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en
gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde
bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er,
in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij
plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in
verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de
weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar
wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren;
zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer
verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en
schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te
gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte
voor haar oprees.
"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.
't Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats
te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken,
alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel voor
zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar
af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:
"Wat komt-e gij hier doen?"
"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde voor
haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed;
ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te
zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde
naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde
en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware
platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met
een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna
bijtend op haar lippen perste.
"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.
Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover,
in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en
plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t
Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen
kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....
XXXVII.
Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets
met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was
verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo
vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen
maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling
was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad,
opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het
vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was
neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar
belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de
baron, alles, alles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en
dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar
dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het
huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle
intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet,
om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een
woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om
haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos
slachtoffer in zijn bezit genomen had.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10 |
11