A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: Voters Are Red, Voters Are Blue
Annette Gordon-Reed won the National Book Award for nonfiction for “The Hemingses of Monticello: An American Family,” while Peter Matthiessen won the fiction award for “Shadow Country.”

Book Prizes Awarded With Nod to History
In P. D. James’s latest exercise in impeccable detection, a muckraking London journalist worms her way into a private clinic on a country estate — and ends up the victim of a ghastly murder.

Books of The Times: Despite a Ghastly Murder, Remember Your Manners
New books by Wally Lamb, Kate Jacobs, Dean Koontz, Mark Barrowcliffe and Julia Leigh.

Henrik Ibsen - Dramatische werken



H >> Henrik Ibsen >> Dramatische werken

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


HENRIK IBSEN

DRAMATISCHE WERKEN

VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE

DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS

& MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK


* * * * *


INHOUD


INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK


STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ

NORA (EEN POPPENHUIS)

SPOKEN

EEN VIJAND DES VOLKS


* * * * *

[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJOeLD (1895)]


INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK


* * * * *

I.

DE TIJD, HET WERK EN DE MAN.


Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste
oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en
samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw.

Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen,
Die Sonne stand zum Grusse der Planeten,
Bist alsobald und fort und fort gediehen
Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten.
So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2]

De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het
levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de
dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van
ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar
of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter
gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond
uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven.

* * * * *

Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn
verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie?

Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt
dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan,
overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld,
zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja
zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe
brengt....

Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als
uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen
eeuw.

* * * * *

Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de
groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een
staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en
opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij
had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij
hervormde menschengeest en menschengevoel.

Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind
der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander
licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van
hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen,
alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw
leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan
voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover
zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is
alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar
medegevoel.

Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en
wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch;
en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een
opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal
terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen
ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3].
Het was een nieuwe spanning der vermogens....

Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren
der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen
adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld.

* * * * *

Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik
Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging
naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeen te
bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het
heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en
natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst;
maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had
doorgekampt tot zijn bestemming.

Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor
macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen
voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen
van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men
mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf
vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was
toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der
Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en
geluk[5].

"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen,
"... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs
gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef
tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op
den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en
prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes
van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met
eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe
ideeen deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het
geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der
wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij
het wezen der nieuwe ideeen direct opnemen in zijn hart, als het
beginsel van een "voller" leven.

* * * * *

Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen
terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke
ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn
enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende
gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt
Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschlaeger, "hij werd
zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid
waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6]

Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch
hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschlaeger het bezielende woord
van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poezie liet
weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan
toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van
opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door
welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt,
om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's
morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft
voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren
"volle" dichterschap.

Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige
leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de
gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschlaeger den
held van zijn poetische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's
genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot
het voorwerp van zijn liefde.

Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den
nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de
fortuin den rug toekeert.

Oehlenschlaeger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan
den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere,
bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den
nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poetische typen,
Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de
menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk
en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast
openbaart en teekent zich niet slechts in de poezie, maar ook in de
opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische
Noorden. Oehlenschlaeger heeft door zijn voorstelling die typen aan de
menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij
buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de
nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen.
Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen
getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en
onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde
het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich
te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9]

* * * * *

Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschlaeger's opgang keerde de
stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was
bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising,
hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich
gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder
te doen gelden....

Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de
beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het
houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat
het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren;
wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op
teleurstelling en smart.

"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10],
die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik
stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke
streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn
hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het
leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille
regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien
hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld.
Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar
heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter
weenende"....

* * * * *

Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding
moesten bukken onder het wicht van den tijd.

Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van
het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield.

Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen?
Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en
vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel
van na- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd!

Niets meer.

* * * * *

Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11].

Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der
volkenverwarring.

Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid
tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had
uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover
Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam.

Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet
te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt.

Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet
dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien.
Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich
onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van
de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar
zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de
bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in
handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin
als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest
uit het begin der eeuw.

Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude,
eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals
zij wilden....[12]

Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van
die menschen.

* * * * *

[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover
de Kerk)]


Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het
denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn
volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan,
miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat
in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van
Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige
physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering
van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste
de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht
der nieuwe vrijheid?...

Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de
zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode
van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen.
En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend
nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer
gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe.
Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij
feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid
trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en
de dingen.

"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking
daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden
bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn
geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof
men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te
bestormen?

* * * * *

En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de
onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en
hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naief
geestdriftige gezicht zwieren.

Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde"
gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830
voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld
gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoeem door ijle sferen van
hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te
bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte
en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid
der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche
uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij
verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum
voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe
geschiedenis.

* * * * *

Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie
van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het
stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind
der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem
kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is
het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van
den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was
voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den
dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging;
neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor
een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen,
harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en
scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den
dichter zijn naief vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een
bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen,
aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist.

Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van
het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit
teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde
en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van
Oehlenschlaeger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden,
ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche
overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid
geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die
eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van
de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar
opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij
zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland,
treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen.

Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poeem met luchtbeelden
schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte
wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed
in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den
dag uit zijn poezie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"-
gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart
en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het
rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de
boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich
bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te
beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen
der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat
tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht
gegroeiden staat.

* * * * *

Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld.
Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst,
verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal
karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele
leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar
harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene
leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat
om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te
bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het
Noorsche volk.

* * * * *

Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschlaeger tot
Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om
verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der
Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de
werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn
"Zoon der Natuur" is een boer.

* * * * *

Bjoernsterne Bjoernson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de
onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17
Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was
geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu
en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn
vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten,
wat daaruit groeien zal."

Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een
man, wiens handelen was poezie.

* * * * *

Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden.

Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en
werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot
belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen
den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten
arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op
zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt
niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de
loopbaan van volksman intrad:

"Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18]

* * * * *

Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek:
hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op
origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische
landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het
Noorden,--en van heel Europa[19].

De menschen werken niet, maar werken mee, zoo moet men zeggen. Er ligt
iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken
van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien
kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun
kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden
of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren
kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een
samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al
die kleinere en kleinste kringen.

Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden
druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der
Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de
Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de
verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een
verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een
voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu
binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn
genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der
Steffens' en Oehlenschlaegers uit het begin der eeuw[20].

* * * * *

Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te
maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar?

Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die
stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over
Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een
duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen.
Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken
rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten
nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid.
Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van
voorgevoelens!

* * * * *

Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst
tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848:
de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari-
revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die
evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling.

Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij
zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte
toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en
schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en
verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk
kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de
krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd
toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook
alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel!

1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een
Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote
Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat
is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat
is de vereeniging van Italie en Duitschland tot nationale staten; dat is
de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs.

Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar,
en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode
van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken
der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta,
opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner
landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der
groote verhoudingen van de toekomst.

Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot
Europeesch leven.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.