Herman Teirlinck - \'t Bedrijf van den kwade
H >>
Herman Teirlinck >> \'t Bedrijf van den kwade
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 HERMAN TEIRLINCK'S
'T BEDRIJF VAN DEN KWADE
1904
* * * * *
I.
't Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig
en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken
verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn
bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een
licht daar ievers.
Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al
donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der
wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel
zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens
tegen de ruiten, zonder weten, op eenmatige wijs, en ging mee, al wijder
en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende
wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten
zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde
naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was
seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde
bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was
haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst
zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig
was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust.
Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en
niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande
orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo
onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije
geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....
Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde
aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel
langsheen. Ze zette zich neer voor 't klavier en wroetelde er onachtzaam
in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en
dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze
wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende
golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat
ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.
Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te
gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en
rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een
hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel,
in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en
valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog
dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren
verloofde.
--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.
Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er
in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar
tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug
zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de
Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van
uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk
omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al
sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor
verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig
vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of
kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken
van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had,
bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend
gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor
't eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar
geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd,
en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij
kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen.
Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer.
Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige
woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen
de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij
zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees
huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed
ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't
eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een
bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een
gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of
een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en
ook dat was zeer gewichtig.
Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten
in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig
middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden
zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met
waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en
vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte
geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den
dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos
en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij
zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in
hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al
wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en
vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar
bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten
op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene,
omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte,
scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van
Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en
vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en
vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende
wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar.
Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles
zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....
Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan
en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte
haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend
gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare
lengte, en bleef roerloos kijken, strak voor zich heen, naar een
voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch
in eene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten
naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend
zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het
huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven
langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou
luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....
Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht
der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't
klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van
verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen
moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze
stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al
over den bonten lochting, een heelen tijd lang.
--Goedele!
Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de
mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed
geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen
gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd
tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken
en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren,
maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde
vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken
vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig
effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er
een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals,
ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht.
Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed;
zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens
roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad;
haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid.
Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij
om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een
ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik,
lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet
te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht
te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder
deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....
Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij
wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een
uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.
--'t Eten moet klaar worden.
--De tafel moet ge dekken.
--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.
Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste
blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes
knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen
zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen,
met haren duim.
Goedele zei:
--Ja, moeder.
Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om
mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje
ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen
steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig
woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch
aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken
tegen haren voet.
--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.
--Wat zou hij?
Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al
krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en
braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de
keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat
zij wat wachten moest.
--Is vader in den lochting?
--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.
--Wiezeken is ziek.
Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep,
en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:
--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.
Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie
keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij
luisterde.
--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in
't verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf
gestort....
--U miskend....
--Ja.
Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een
beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare
tanden:
--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!
En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte
scandeering:
--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij
was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest
met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat
heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En
als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat
heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter
schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge
zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij
leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste
ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het
heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een
slonse en met een kind.
Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't
venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange
stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren
raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van
een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den
verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo
dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst
die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter
wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een
slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en
zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze
ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw
Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen,
dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de
dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar
sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde
in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om
hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag,
volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel.
Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken
wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.
De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het
donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen
maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch
leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich
opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met
gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij
plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in
't helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en,
ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op
hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag
kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten,
en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.
Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze
zei:
--Wel! Wel!
Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde
er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam
zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde
zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen
rugge en vleide zich neere en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig
vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk
tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij
bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig
stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een
luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was
op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei
begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en
dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde
te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was
of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd.
Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den
broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal
een leegte was--want overal was zijne plaats....
Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling
gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde
neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze
blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de
dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te
voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings
omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen
kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op
Goedele's schouder. En ze zei:
--Wiezeken is ziek.
Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid.
Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte,
zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.
--Erg ziek....
--Erg ziek?
--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.
Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst
gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken
bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.
--Het dutseken, fluisterde ze.
--Ja, zei Goedele.
--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar
machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.
Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte
aandoening weg.
--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een
kind, dat men met aaiingen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.
Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen
wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden,
halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.
--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....
--Ja ... ja ...
--'t En is niet verre, in 't lage van de stad....
Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud
was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op
een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die
nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een
zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze
koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar
als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de
minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste
verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend
zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich
gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij
zich alzoo bijkans overgaf.
Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel,
zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos
verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het
waarachtig noodig was.
--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.
Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele
zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid,
wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde
zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare
medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders
inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat
tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg.
Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend
met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t
bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan
Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan
moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde.
En aan zijn geld.
--Sebastiaan heeft geld.
't Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en
ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in
werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou
zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op
geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders
werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar
Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.
--We zullen gelukkig zijn.
En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen
zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend
naar wisselvallige gepeinzen.
* * * * *
II
Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
op een mislukte dolheid uitliep, was er toch een, die zanten kwam, een
die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
bedroog en werd welvarend.
Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor een stierven vijf zijner
dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
kennisse....
Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,
--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.
Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17