A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: A Media Mogul With Relentless Moxie
In this novel of the 17th century, Morrison performs her deepest excavation yet into America’s history and exhumes our twin original sins: the enslavement of Africans and the near extermination of Native Americans.

Original Sins
Malcolm Gladwell says success depends not only on brains and drive, but on where we come from — and what we do about it.

Chance and Circumstance
How McGeorge Bundy, a key architect of the Vietnam War, began an agonized search to understand himself.

Herman Teirlinck - Johan Doxa



H >> Herman Teirlinck >> Johan Doxa

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6


JOHAN DOXA

VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER

door

HERMAN TEIRLINCK


1917


* * * * *


I

JOHAN DOXA

GETROUWD


Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
meer.

Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.

De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek.
Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over
te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
binnenzak steken had.

's Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.

* * * * *

De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
in het bijzonder verhalen wil.

Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.

Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
verklaard had dat het hem niet schelen kon.

En Johan Doxa werd een artist-schilder.

* * * * *

Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche
dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
haar pootjes in tweeen gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
hoofdeinde van het ijzeren bed.

Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.

Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen
blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte
vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.

Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel een ten minste
in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.

Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette,
welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan
hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een
letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig
werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een
bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en
sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_,
een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare
was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een
stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften,
die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene
woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het
Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk
"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn
kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat
uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren
wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden
van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was
een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de
uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij
zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de
viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en
Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne
zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de
pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds
was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de
_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels
werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke
verhalen.

Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.

* * * * *

Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:

"Het groene sijsje is kapot!"

Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....

Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
verliefd.

Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar
de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
glarien zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
niet voorspeld?"

Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
handen over zijne knieen saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....

De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.

Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros
Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De
anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat
in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.

Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich
tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
een stoel, naast het doode kacheltje.

Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes,
op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
zeggen zou:

"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"

* * * * *

Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.

Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
pioenen, op zijne heete wangen.

Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.

* * * * *

Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
verdieping.

Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond voor de
deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.

Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken
gloed....

Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige
leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
zijne knieen, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....

Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
korte armen. Hij zou zeggen:

--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u.
We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
voorbeeld. Goeden avond."

Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
wilde er mee wegvluchten. Hij zei:

--"Goedenavond ... Goedenavond...."

En vluchtte inderdaad.

* * * * *

Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
droppelkens goud.

Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriend onder het
ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen
tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.