A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: A Media Mogul With Relentless Moxie
In this novel of the 17th century, Morrison performs her deepest excavation yet into America’s history and exhumes our twin original sins: the enslavement of Africans and the near extermination of Native Americans.

Original Sins
Malcolm Gladwell says success depends not only on brains and drive, but on where we come from — and what we do about it.

Chance and Circumstance
How McGeorge Bundy, a key architect of the Vietnam War, began an agonized search to understand himself.

J.M. Snoek - De Nederlandse kerken en de joden



J >> J.M. Snoek >> De Nederlandse kerken en de joden

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14


1940-1945

De protesten bij Seyss-Inquart
Hulp aan Joodse onderduikers
De motieven voor hulpverlening


door Ds. J.M. Snoek


UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, J.H. KOK - KAMPEN

"Hoe groter de duisternis
des te helderder het licht,
ook al is het niet meer
dan dat van een kleine kaars"
Heinz Leuner

bewerkt door Ge J. Snoek (g.snoek3@chello.nl)
oorspronkelijke pagina nrs staan tussen
foutnoten per hoofdstuk tussen [x.nn] zie eind
zie ook het Engelse The Grey Book onder nr E14764


Inhoud

INLEIDING 11

DEEL I: DE PROTESTEN 17

1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN
DERTIG
a. Sfeer en situatie 19
b. De zending onder de Joden 22
c. Over synodes en deputaatschappen 24
d. Het lidmaatschap van de NSB. 26
e. Reacties op het antisemitisme in Duitsland 29

2. HET BEGIN
a. De situatie (mei - oktober 1940) 34
b. Het Convent van Kerken 35
c. De Lunterse Ring 38
d. Tweemaal concentratiekamp Buchenwald 40
e. Het eerste protest 43

3. VERSCHERPING
a. De situatie (november 1940 - maart 1941) 50
b. Bijna te laat 51
c, Een brief en twee arrestaties: 54
d. Een synode in vergadering bijeen 57
e. Afkondiging in een kerkdienst 60

4. MATHEID
a. De situatie (30 maart tot einddecember 1941) 63
b. Hervormde stemmen 65
c. Hervormd herderlijk schrijven 67
d. De Gereformeerde synode 68
e. Weinig activiteit 71

5. DE KATHOLIEKE KERK GAAT MEEDOEN -
AUDIENTIE BIJ SEYSS-INQUART
a. De situatie (eerste helft 1942) 73
b. De houding van de Katholieke Kerk 74
c. De RK in het Interkerkelijk Overleg (I.K.O.) 76
d. De audientie 78
e. De gevolgen 82
f. De bordjes "verboden voor Joden" 84

6. MASSA-DEPORTATIES; HET TELEGRAM
a. De situatie (tweede halfjaar 1942) 88
b. Nog een synode-vergadering 89
c. Het telegram 90
d. Duitse reactie 91
e. Gebed, afkondiging van het protest 93
f. De kosten 96
g. Vergeefse pogingen 97

7. DE SCHERPSTE OPROEP, OOIT GEDAAN
a. De situatie (januari tot begin mei 1943) 101
b. "Wie meewerkt is medeschuldig" 103
c. Niet in de Gereformeerde Kerken afgelezen 105
d. Nog een schep er bovenop 107
e. Resultaat? 109

8. STERILISATIE; DE, "Joden-GOD"; DE "GEMENGD GEHUWDEN"
a. De situatie (begin mei - november 1943) 112
b. Mooi Nederlands, geschreven in het Duits 113
c. De Joden-God" en de "Joden-bijbel" 116
d. "Gemengd-gehuwde"Joden 118

9. DE Joden-CHRISTENEN
a. Duitse beloften 121
b. Geen Gereformeerde "haastdoop" 122
c. Andere opvattingen 125
d. Schmidt en Rauter 128
e. Westerbork en daarna 130
f. Bep Blok 132

10. EEN VERBLUFFENDE CONCLUSIE 136

DEEL II: HULP AAN JOODSE ONDERDUIKERS

11. DE LO (LANDELIJKE ORGANISATIE VOOR HULP
AAN ONDERDUIKERS) 143

12. DE NV EN HAAR KINDEREN 149

13. DRIE ERVARINGEN
a. Ader 156
b. Dobschiner 157
c. Houwaart 159

14 WAAROM HIELP MEN Joden?
a. Dominee, boer, dominee 161
b. Angst 166
c. Om zielen te redden? 167

DEEL III: NA DE OORLOG

15. VOETANGELS EN KLEMMEN 177

16. DE BEVRIJDING; EEN ENQUETE 182

17. GESCHIEDSCHRIJVERS ONDER VUUR 185

18. BEOORDELINGEN
a. Over het redden van de Joden-christenen 193
b. Commentaar op de houding van de kerken
in het algemeen 196

19. EEN KLEINE KAARS 200

INLEIDING

Dit boek heeft een voorgeschiedenis. Indertijd was ik (van 1958-1969)
predikant van de Schotse kerk te Tiberias, Israel. Met inspanning had
ik me de taal van het land, modern Hebreeuws (ook wel Ivriet genoemd),
eigen gemaakt. Vaak werd ik door een kiboets uitgenodigd om op vrijdagavond
(het begin van de sabbat) een lezing te houden. Op mijn inleiding placht er
immer een levendige discussie te komen.
In die tijd trok het toneelstuk van Rolf Hochhuth, der Stellvertreter
("de plaatsbekleder") sterk de aandacht: het stelde de houding van paus
Pius XII ten opzichte van de Jodenvervolgingen tijdens de tweede wereldoorlog
aan de orde. Hochhuth maakte de tongen los. Een Zwitserse predikant die toen
in Israel woonde schreef: "Er was (ten tijde van de tweede wereldoorlog) een
volledige en vreselijke stilte van de kant van de Kerk" (Jerusalem Post,
17 sept. 1963). Ook de toenmalige voorzitter van het Israelische parlement,
Kadish Luz, deed een soortgelijke uitspraak (zitting van het parlement,
21 april 1963).
Nu kan men dergelijke uitspraken wel begrijpen, want in de loop der eeuwen
hebben christenen niet zelden actief deelgenomen aan Jodenvervolgingen. Van
daaruit bezien is het te begrijpen dat men meende: "Van de Kerken hadden we
niets goeds te verwachten en kwam ook niets goeds tijdens Hitlers vervolgingen".
Zo werd het ook telkens gesteld in de discussie na mijn lezing (over een heel
ander onderwerp, toen nog) in een kiboets.
Nu stond me helder voor de geest dat protesten tegen de Jodenvervolging wel
degelijk geklonken hadden vanaf de kansel van de kerk in het dorp waar ik tijdens
de tweede wereldoorlog woonde. Ze hadden toen grote indruk op me gemaakt.
Die protesten ging ik opzoeken; dat was niet moeilijk, want het onvolprezen
instituut Yad Vashem in Jeruzalem beschikt over de standaardwerken geschreven
door Touw en Delleman.[0.1] Ook van de Lutherse Kerk in Denemarken vond ik
een krachtig protest. Dit - samen met de belangrijkste Nederlandse protesten -
heb ik toen gepubliceerd in een brochure "Hebben de Kerken gezwegen?", die
verscheen in het Nederlands (1964) en in het Ivriet. De laatste ben ik gaan
aanbieden aan de heer Kadish Luz die in een kiboets dichtbij Tiberias woonde.

<11>

Deze ontving me vriendelijk en beloofde de brochure te zullen lezen. Niet zo
lang daarna is hij overleden. Ik heb geen reactie op mijn brochure meer van
hem ontvangen, had daar ook niet uitdrukkelijk om gevraagd.
Intussen was mijn belangstelling gewekt en bleef ik regelmatig naar Jeruzalem
gaan om meer materiaal te zoeken. Wat ik daar en elders vond, was veel meer
dan verwacht. Op Yad Vashem volgde men mijn project met belangstelling en niet
zelden kreeg ik krachtige hulp. Zo bestonden er belangrijke protesten van de
Bulgaarse (Oosters-Orthodoxe) metropoliet; ik ken geen Bulgaars, maar een
bevriende relatie bij Yad Vashem vertaalde de documenten voor me in het Ivriet,
waarna ik ze vertaalde in het Engels, want in die taal wilde ik publiceren.
In die tijd werden we eens geconfronteerd met een wel zeer optimistische kijk
op de houding van de Nederlanders: een gefortuneerde Amerikaan wilde in Israel
een bos planten ter ere van het Nederlandse volk en deszelfs heldhaftige daden,
verricht ten behoeve van de Joden. Bij Yad Vashem vroeg men mijn mening en dit
heeft ertoe bijgedragen dat het plan niet doorging; het zou meer eer zijn
geweest dan ons volk toekwam.
Eind 1969 werd het resultaat van mijn onderzoek gepubliceerd: The Grey Book.[0.2]
Het is niet meer verkrijgbaar, (zie Gutenberg eText nr 14764) maar een artikel van
mijn hand over hetzelfde onderwerp is opgenomen in de Encyclopaedia Judaica. [0.3]
Die is te vinden in bijna iedere grotere bibliotheek.

Nu, bijna twintig jaar later, ben ik ertoe gekomen om speciaal de houding van
de Nederlandse Kerken nader te onderzoeken. Ook de Rooms-Katholieke Kerk is
in dit onderzoek betrokken; toch ligt er een extra accent op de Gereformeerde
Kerken in Nederland. Ten eerste omdat ik van die kerken lid ben en hun houding
dus van binnenuit kan beoordelen; ten tweede omdat men zich dient te beperken.
Zo heb ik bijvoorbeeld de besluitvorming zoals die in de Gereformeerde Kerken
plaatsvond, nauwkeuriger nagegaan dan bij de Hervormde en de Rooms-Katholieke
Kerk. En dan zijn de kleinere kerken nog niet eens genoemd. Er blijft nog heel
wat te onderzoeken.
De naam Seyss-Inquart - in de ondertitel - staat voor alles wat er van Duitse
kant aan geweld en onderdrukking is bedreven tijdens de tweede wereldoorlog,
met name jegens de Joden.

<12>

Terecht hebben de kerken, toen Seyss-Inquart de verantwoordelijkheid op een
ondergeschikte wilde afschuiven, verklaard dat zij "Uwe Excellentie beschouwen
als de verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren
geschied is en nog geschiedt".

Het eerste gedeelte bevat de protesten, en de inhoud van herderlijke brieven,
die betrekking hadden op de Jodenvervolging. Alleen en passant is genoemd het
(blijven) toelaten van Joodse kinderen op christelijke scholen: soms ging het
verzet tegen de Duitse maatregelen hier direct van kerken uit, soms liep het
via de schoolbesturen.
De hoofdstukken 2 tot en met 9 geven allereerst een beschrijving van de situatie
in de periode die aan de orde is. Drie aspecten worden weergegeven.
Allereerst het verloop van oorlog en bezetting. Voor of na de Duitse nederlaag
bij Stalingrad, dat betekende nogal wat!
Daarop volgt een aantal fragmenten uit een dagboek - van mijn zuster, Maria
Snoek -, die bedoelen een indruk te geven van het dagelijks leven in die tijd.
Er waren immers zoveel andere dingen die een mens in beslag namen. Deze
fragmenten zijn steeds in inspringende, cursieve tekst weergegeven.
Ten derde wordt, uiterst summier, een overzicht van de anti-Joodse maatregelen
in de betreffende periode gegeven. Kennisname van de werken van Herzberg, Presser
en L. de Jong [0.4] wordt verondersteld. Hier gaat het alleen om de herinnering:
"toen gebeurde er dat".
In het tweede gedeelte van dit boek gaat het niet meer om het woord van het protest,
maar om de daad van de hulp aan onderduikers.
In het derde gedeelte komen enkele punten aan de orde ten aanzien van de houding
van de kerken - en de christenen - tijdens de tweede wereldoorlog, die nu volop
in discussie zijn. Geschiedenis is immers (men durft de veelgehoorde uitspraak
bijna niet meer te gebruiken) een discussie zonder einde.

Nu ben ik geen vakhistoricus en dat besef ik - al heb ik er uiteraard naar
gestreefd het noodzakelijke "huiswerk" nauwgezet te verrichten. In zekere zin
van de nood een deugd makend, waag ik het te doen wat een "professional" niet
zou doen (maar juist "professionals" hebben me dit wel aangeraden): af en toe
zal ik een persoonlijke ervaring uit die tijd vermelden. Allereerst in de hoop
dat dit het geheel des te leesbaarder zal maken. Maar ook is het de bedoeling,
de eigen betrokkenheid aan te geven, me in zekere zin in de kaart te laten kijken".

<13>

Geen mens kan volledig afstand nemen van het door hem te behandelen onderwerp;
dat lijkt me ook niet nodig, zelfs niet gewenst. Maar wel is het nuttig om te
proberen, de aard van de eigen betrokkenheid te onderkennen. Zonder enige
zelfkennis in dit opzicht loopt men des te meer gevaar zich een karikatuurbeeld
- in positieve dan wel negatieve zin - te vormen en dat door te geven. Terwijl
het streven gericht dient te zijn op verheldering en een zo zuiver mogelijk
weergeven van de feiten.
Voor mij leidde de eigen betrokkenheid tot het inzicht: er was - in de houding
van de kerken - misere, maar er was ook grandeur; er was grandeur, maar er was
ook misere. Je mag het een niet wegstrepen tegen het ander. Omdat schrijver
dezes in de oorlogsjaren pas goed de misere van de kerk ontdekte, heeft hij
op het punt gestaan kerk en geloof vaarwel te zeggen. Maar het tijdens de
kerkdienst voorlezen van de protesten tegen de Jodenvervolging was een factor
die hem geholpen heeft, toch nog heil in de kerk te blijven zien, en te vinden.

Nog een paar praktische gegevens.
De spelling van de documenten heb ik aangepast aan de tegenwoordige.
Het noten-apparaat is met opzet beperkt gehouden: het dient bijna uitsluitend
om aan te geven waar bepaalde gegevens vandaan kwamen. Wie daar niet in
geinteresseerd is, kan de noten ongelezen laten.
De teksten van alle door de kerken gemeenschappelijk uitgevaardigde protesten
zijn te vinden zowel bij Touw als bij Delleman, terwijl men de herderlijke
brieven van de bisschoppen bij Stokman [0.5?] aantreft. Ik vond het daarom
overbodig, de vindplaatsen nog eens via noten te vermelden.
Bij auteurs van wie slechts uit een werk geciteerd wordt volsta ik - na de
eerste maal in de noot zowel auteur als titel genoemd te hebben - met
vermelding van auteursnaam en pagina. Van de Jong en Buskes is een enkele
maal uit een tweede werk geciteerd en dit wordt dan in een noot vermeld;
maar voor het overige betekent de Jong: L. de Jong, Het Koninkrijk der
Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Populaire editie); Buskes betekent
(tenzij anders vermeld): J.J. Buskes, Waar stond de Kerk?

<14>

Het was een voorrecht om bij het schrijven van dit boek hulp te ontvangen.
Mijn waardering en dank gaan allereerst - in chronologische volgorde - uit
naar prof. dr. J. van den Berg, kerkhistoricus te Leiden, en prof. dr. J.C.J. Blom,
historicus te Amsterdam, die me met name bij de start waardevol advies gegeven hebben.
Drs. J. Ridderbos Nic. zn. te Zwolle was zo vriendelijk het hele manuscript te
willen lezen; drs. G.C. Hovingh te Biddinghuizen en drs. M.J.H.M. van Rooij
te Utrecht lazen gedeelten. Hun suggesties heb ik bijna steeds ter harte genomen.
Aan hen allen, maar in het bijzonder aan collega Ridderbos, ben ik veel dank
verschuldigd. Het spreekt vanzelf dat de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat
op mij blijft rusten.
Bovendien stel ik er prijs op, mijn dank en waardering te uiten jegens de
instanties, die toestemming gaven tot raadpleging van de archieven (zie de lijst
achterin). Sommige hebben daarenboven belangrijke hulp verleend door foto's te
verstrekken. Met name wil ik hier noemen:
de Commissie voor de Archieven van de Nederlandse Hervormde Kerk te Leidschendam,
de Archiefdienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Leusden; het archief
van het Aartsbisdom Utrecht; het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands
Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.

DEEL I: DE PROTESTEN

1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN DERTIG

a. Sfeer en situatie

We hadden thuis een manufacturenzaak, in Renkum. "We", dat was mijn moeder
- vader was al jaren geleden overleden - met haar drie kinderen: een dochter
en twee zoons. Ik was de middelste.
Het eerste uit die tijd om te memoreren waren de economische crisis en de
werkeloosheid. In ons dorp hadden velen werk gevonden op de papierfabriek
van Van Gelder. Honderden kregen ontslag en moesten gaan stempelen. De uitkering
was gering, dus ook het aan kleding te besteden bedrag daalde. De omzet in
onze zaak ging met sprongen achteruit. Menig winkelier ging failliet. Dat
overkwam ons niet, maar zomer 1935 (ik was toen 15 en zojuist overgegaan naar
de vierde klas van het Chr. Lyceum in Arnhem) werd besloten dat er niets anders
op zat: ik moest van school af om thuis in de zaak te gaan meehelpen.
We waren Gereformeerd: mijn moeder belijdend lid en de kinderen dooplid.
Dus ging je 's zondags naar de kerk; de kinderen eerst alleen naar de ochtenddienst,
maar vanaf hun twaalfde jaar ook 's middags. In de middagdienst werd er meestal
gepreekt over de Heidelbergse Catechismus (HC), een uitleg van het Christelijk
geloof, geformuleerd in de vorm van vraag en antwoord en verdeeld in 52 "zondagen".
Ook op de catechisatie, waar men vanaf het twaalfde jaar heen ging, werd de HC
besproken en de kinderen leerden wekelijks een "zondag" uit het hoofd. Sommige
vragen ("Wat is Uw enige troost, beide in leven en sterven?"; "Wat is een waar
geloof?") en hun antwoorden bleven je je levenlang bij.
Aan tafel werd er door het gezinshoofd (bij ons thuis dus: mijn moeder) voor en
na de maaltijd hardop gebeden; zesmaal daags. Ten minste tweemaal per dag werd
er aan de etenstafel een bijbelgedeelte gelezen.
De jongens waren lid van de Gereformeerde knapenvereniging. Als je 16 werd,
mocht je naar de jongelingsvereniging (JV). Daar werd men voorbereid op de taak
in "kerk, staat en maatschappij". Ook de meisjes hadden hun verenigingen.

<19>

foto 1. Vooroorlogs zendingsbusje met een "dankbare Javaan"

Als kind ging je naar een "school met de Bijbel". Op maandagmorgen nam je een
gift mee voor de zending. Die ging in een spaarbus, versierd met het borstbeeld
van een Javaan. Als de stuiver of cent in de gleuf viel, knikte hij vriendelijk.
We waren ervan overtuigd dat alle Javanen niet alleen hoffelijk waren, maar ook
uiterst dankbaar voor het feit dat hun het evangelie gebracht werd. Zendelingen
met verlof vertelden over snel groeiende kerken in Nederlands-Indie. Thuis hing
in de huiskamer een rood, blikken busje aan de muur, met het opschrift: "Voor
Joden, heidenen en mohammedanen". Als wij kinderen kattenkwaad hadden uitgehaald,
legde mijn moeder ons soms de straf op om van ons zakgeld een gift in het
zendingsbusje te doen. Waarop mijn broer protesteerde: "Dan worden de heidenen
bekeerd door onze zonden". Toen zag moeder verder van de methode af.

<20>

Als je middelbaar onderwijs mocht volgen, diende dat het liefst Christelijk
onderwijs te zijn. Ik ging dus naar Arnhem, ook al was de "neutrale" HBS in
Wageningen dichterbij. Je las een Christelijk dagblad - bij ons thuis: de Standaard.
Men stemde op een Christelijke politieke partij; Gereformeerden werden geacht
op de Anti-Revolutionaire partij van Colijn te stemmen.

Tegenwoordig noemt men deze eenvormigheid "de verzuiling" [1.11] en nu hebben
we oog voor de negatieve kanten van het verschijnsel. Weinige zagen die toen.
Sommige aspecten ervan werden als positief ervaren en ze zouden tijdens de oorlog
van waarde blijken. De sterke verbondenheid met de eigen groep gaf een zeker
zelfvertrouwen; de eigen organisaties leverden het raamwerk voor de opbouw van
een verzetsbeweging; de eigen "nestgeur" zou een belangrijk hulpmiddel blijken
te zijn bij het vaststellen wie er te vertrouwen was en wie niet.
Zo belde tijdens de oorlog de K.P. (knokploeg)-leider Johannes Post eens aan
bij een politie-agent in Groningen en vroeg diens medewerking voor een verzetsdaad.
Post kon zich niet legitimeren en de ander wantrouwde hem: de onbekende kon
immers een provocateur zijn. Het was etenstijd, en Post werd aan tafel genodigd.
Hij schikte aan en zag, hoe de vrouw des huizes een bijbel klaarlegde. "Zijn
jullie Gereformeerd?", vroeg Post. "Ja", was het antwoord. Waarop Johannes zei:
Ik ook; ik ben ouderling in een dorp in Drenthe". De gastheer reageerde met
de woorden: "Wilt U ons dan voorgaan in gebed?" Johannes bad. En de gastheer
wist nu heel zeker: "deze man is een broeder (geloofsgenoot)". Na het eten werden
er zaken gedaan.[1.12]
Maar Duitsland was in de jaren dertig onze vijand nog niet; integendeel. Ons
gezin, maar ook de familie (ooms en tantes die in de buurt woonden; mijn moeder
had tien broers en zusters) was pro-Duits. Ten eerste omdat we vonden dat de
Duitsers bij de vrede van Versailles, in 1919, onbillijk behandeld waren, ten
tweede omdat we een hekel aan de Engelsen hadden. Die hadden immers de Boeren
in Transvaal en de Oranje-Vrijstaat geknecht. De boeken van L. Penning over de
heldhaftige strijd van de Boeren tegen de trouweloze Britten werden vlijtig
gelezen en hadden grote invloed.
Onze sympathieen en die van de overgrote meerderheid in de Gereformeerde Kerken
veranderden snel en grondig na de machtsovername in Duitsland door Hitler.

<21>

Hervormde predikanten hadden, veel meer dan bij de Gereformeerden het geval was,
intensieve contacten met de "Bekennende Kirche", dat deel van de Duitse kerk dat
zich niet door Hitler liet gelijkschakelen. Ger van Roon heeft het belang van
deze contacten voor de bewustwording in Nederland uitvoerig gedocumenteerd en
overtuigend aangetoond. [1.3] Maar dat gold vooral Hervormde en in veel mindere
mate Gereformeerde predikanten. Bij de Gereformeerden wogen de bezwaren tegen
de theoloog Karl Barth zwaar, en juist hij speelde in de Duitse kerkstrijd een
grote rol. Maar krant en radio brachten de berichten over ds. Niemoeller die,
omdat hij het Nationaal-Socialisme openlijk bestreed, in een concentratiekamp
opgesloten werd; en er kwamen berichten over de Jodenvervolgingen. Daar kon
niemand omheen.

Er woonden drie Joodse gezinnen in ons dorp, alle drie met een zaak: Manasse
de drogist, zijn broer de huisschilder, en de dames Cohen die een zaak in boter,
kaas en eieren hadden. Zij waren geen klant bij ons en wij niet bij hen, dus
was er zelden contact. Wel was er een aantal Joodse "reizigers", vertegenwoordigers
van een textiel-fabriek of -groothandel, die ons regelmatig bezochten. Met
sommigen hunner werd de relatie vriendschappelijk.
Of er in onze kerk ooit gepreekt werd op een manier die het antisemitisme
bevorderde? Ik kan het me niet herinneren. Wel weet ik, dat bij ons thuis
de Joodse zakenrelaties niet als onbetrouwbaar werden beschouwd; al waarschuwde
mijn moeder ons nadrukkelijk voor de onbetrouwbaarheid van een groothandelaar
in textiel die Gereformeerd was.

b. De zending onder de Joden

Er waren twee Hervormde verenigingen voor zending onder de Joden (Elim en de
Nederlandse Vereniging voor Israel), maar hier ging het om particulier initiatief.
De Gereformeerde zending onder de Joden evenwel was een direct-kerkelijke zaak
en stond onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de generale (landelijke)
synode. Er waren commissies (deputaatschappen) ingesteld, die verantwoordelijk
waren voor een bepaalde activiteit en aan de volgende synode verantwoording
moesten afleggen. Er was ook een deputaatschap voor de zending onder de Joden.
Om te weten hoe men in het algemeen als Gereformeerden de Joden beschouwde, is
het van belang om stil te staan bij de Gereformeerde zending onder de Joden.
Dank zij Peter Treep's onderzoek hebben we daar een duidelijk overzicht van. [1.4]
Het deputaatschap voor de zending onder de Joden had de supervisie over drie
predikanten: Jac. van Nes te Den Haag (vanaf 1916), C. Kapteyn te Amsterdam
(vanaf 1929) en R. Bakker te Rotterdam (vanaf 1935). Deze predikanten leverden
elk kwartaal een schriftelijk rapport van hun werkzaamheden in bij hun deputaten.
De manier waarop men werkte, riep van Joodse zijde veel weerstand op en dat zal
ons nu nauwelijks verwonderen. In Den Haag waren clubs voor Joodse kinderen.
In een oplaag van 30.000 (1940) werd maandelijks "De Messias-bode" gratis en
ongevraagd aan Joodse adressen gezonden. Jaren later, toen we in Israel woonden,
vertelde ons een vriend van Nederlandse afkomst hoe hij indertijd in Nederland
enkele malen verzocht had, de Messias-bode niet meer te sturen. Dat hielp niet,
totdat hij opnieuw een brief naar de redactie schreef met het verzoek voortaan
twee exemplaren te sturen want, zo schreef hij, "het papier van dit geschrift
is uitermate geschikt om op de w.c. gebruikt te worden". Pas toen zag men van
verdere toezending af, aldus mijn vriend.

<23>

Veel huisbezoeken werden door de drie predikanten afgelegd. Slechts weinigen
uit de Joodse gemeenschap lieten zich dopen. Ds. Van Nes waarschuwde de
kerkeraden overigens tegen het te spoedig bedienen van de doop. Hij vond dat
er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor
men tot dopen kon overgaan. [1.5]
In 1929 bezocht ds. Van Nes een Joden-zendingsconferentie te Neurenberg.
Hier werd hij geconfronteerd met de groei van het antisemitisme in Duitsland.
Sindsdien kozen hij en zijn twee collega's ondubbelzinnig partij ertegen.
Op de eerste conferentie van plaatselijke commissies voor zending onder de
Joden, in 1932, nam men met algemene stemmen een aantal resoluties aan waarvan
de eerste luidde:

"De conferentie brandmerkt het antisemitisme als grove zonde en zij roept alle
Christenen op tot betoon van hartelijke liefde tot de Joden om Christus' wil". [1.6]

Ook de Messias-bode keerde zich fel tegen het antisemitisme, de eerste keer in
een artikel van de hand van ds. Kapteyn, november 1930. Als ds. Van Nes over
dit onderwerp een lezing hield, kwam men nu ook van Joodse kant luisteren.
Toen hij in Aalten over het antisemitisme sprak, werd zelfs de synagogedienst
een kwartiertje vervroegd, opdat men nog naar deze bijeenkomst zou kunnen gaan. [1.7]
Maar toen deputaten op de synode van 1933 verslag uitbrachten, deelden zij mee:
"Thans volgen de rapporten, zoals die bij deputaten ingebracht werden door de drie
missionarissen, met weglating van de algemene opmerkingen waarin de missionarissen
over het lijden van het Jodendom en de reactie daarop in Joodse en Christelijke
kring praten." [1.8]

c. Over synodes en deputaatschappen

De Hervormde geschiedschrijver H.C. Touw schrijft Synode, met een hoofdletter;
de Gereformeerde Th. Delleman daarentegen schrijft synode zonder hoofdletter.
Dat is niet toevallig. De inrichting van de diverse kerkgenootschappen vertoont
op bepaalde punten onderling verschillen, bij voorbeeld wat betreft de taak van
de synode. De besluitvorming komt op verschillende wijzen tot stand.

<24>

In het volgende vertellen we iets over de structuur van de Gereformeerde Kerken
in Nederland. Het meervoud (kerken!) is veelbetekenend: men hecht veel waarde
aan de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk (of: gemeente).
Op 1 januari 1940 waren er, volgens het jaarboek van 1940, 788 (plaatselijke)
kerken met 811 dienstdoende predikanten en 652.826 leden, waarvan 331.615
belijdende leden. Er waren dus 321.211 doopleden, toen voornamelijk kinderen.
De toename over 1939 bedroeg 7.687 leden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.