J. Van Lennep - Ferdinand Huyck
J >>
J. Van Lennep >> Ferdinand Huyck
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 FERDINAND HUYCK
Door
Mr. J. VAN LENNEP.
* * * * *
BRIEF VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER, TOT INLEIDING DIENENDE.
Amsterdam, den....
Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw
Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van
ongeveer drieentachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht
ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van
onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het
karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij
was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve,
voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen
hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in
betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich
in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben
verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.
Quiconque a beaucoup vu
Peut avoir beaucoup retenu,
zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was
tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en
had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn
financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het
toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron
door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen
adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende,
zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik
heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der
Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in
staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Crequi menige dwaling aan te
wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende
ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het
Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt
staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met
zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de
echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat
zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand
vernomen. Wat onze Nederlandsche familien betreft, hoewel zij ruim
vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens
in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de
afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude
lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd,
een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de
zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar,
dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om
haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie
aanleiding te geven.
Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als
die van veel gezien en opgemerkt te hebben:--hoewel ook deze minder
algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een
gezond oordeel veel _solide_ kennis, en was in de gelegenheid geweest,
daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken.
Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar
onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk
staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog
heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen
getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,--in weerwil
van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met
kwakzalvers en _roues_, in weerwil zelfs van het zwak, dat haar was
bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij
eener vrouw verbannen zoude,--een vromen, godsdienstigen zin: en haar
werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op
een onwankelbaren grondslag gebouwd.
Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar
het levendige, ja, ik zou zeggen, het kinderlijke van een jong meisje
bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon
maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet
strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer
iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan
den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het
juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan
verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren
onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun
miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer
kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en
die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die
eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities
voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar
tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en
duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze
hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de
schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen
aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had
verbannen en opgeoefferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden
te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek,
die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was,
en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den
redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte
stem, een aria uit _Blaise et Babet_ of _Les trois Fermiers_ te zingen,
of liedjes te neurien, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en
die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid
bezaten;--voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste
is dat men hooren kan.
Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was
geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel;
noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk
maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat,
die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een
welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke
virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was
aangespoord.
Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste
pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst,
die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste
beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met
een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en
vernuftig als dat van den wijdberoemden kater _Murr_ kan geweest zijn:
en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk
men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid
bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust
om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn
meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te
spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over
den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door,
heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen;
het zou de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt.
Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van
zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke
Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat
er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes
geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na
haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden,
aan niets gebrek zou hebben.
Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen
tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin
te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij,
uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door
alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt,
nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst
eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de
nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te
doen, welke de pastijtjes en _croquettes_ bewijzen wanneer zij het
gebraad voorafgaan.
Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom
met Mejuffrouw Stauffacher en haar _alentours_ bekend maken, alvorens ik
er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar
had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.
Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed,
wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij
haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het
open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er
bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar
opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het
Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij
de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd
aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht
gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende,
en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de
koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en
vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje
hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te
zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af
vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien
zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen
maken.
Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die
aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de
goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald
onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van
zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik _recapituleerde_ bij mij
zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de
misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene
gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid
hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.
"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering
ontwakende.
"Wat?--Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te
doen, dan een filtreerkan te gebruiken?--Gij hebt volkomen gelijk."
"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken,
die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn
overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer
verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven,
dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet
dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken,
die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed
te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens
gedenkschriften te schrijven."
"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel
wat anders te doen gehad als memorien te schrijven: en op mijn jaren
betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene
bezig houde."
"Nu ja!--Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw
vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad,
eenige boekdeelen te vullen."
"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer
is, na mijn dood vergeten te worden."
"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij
in gezegend aandenken zult blijven: en het zou u zelfs leed doen te
denken, dat die u vergeten konnen."
"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar
wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zou geweest zijn, als
schrijfster op te treden?--Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van,
mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later
als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw
denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te
vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of
genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher,
die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had
uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op
haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude
hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.--Spreek mij
niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als
iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:--en dit ware niet
alles; maar ik zou geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede
vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote
vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de
beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw
voorkwam;--maar stond die eens gedrukt, dan zou ik immers den mond niet
meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand
mij op mijn boterham zou geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58
van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik
heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun
dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er geen kwaad in zie, over hen
te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden,
om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen
behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch
Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben
uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne
gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn
oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik
gemaakt worden."
"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de
nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld,
wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg
hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer
verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus
weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen,
hoe."
"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om
iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."
"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw
kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."
"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans
aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen
betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid
zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer
weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige
voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen,
die er mede gemoeid zijn. Zou iemand zich b.v. de moeite ooit getroost
hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven,
die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?--En
echter vinden wij die in al de schoolboeken.
"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al
wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist
daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die
gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.
"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik
niet, of het mij gelukt zou zijn langs den door u aangewezen weg. Want
het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid
bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil
bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik
diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch
niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't
lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te
komen."
"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"
"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat
althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna
schaamt, die gelezen te hebben; nu--voor mijn part, ik lees ze niet:
ik hou mij bij 't oude."
"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de
drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen
door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding,
met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch
in zijn tooneelen."
"Dat weet ik wel, en ik zou u ook niet zeggen, dat gij _Tom Jones_ aan
uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek
geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht
gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en
daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven,
waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het
tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die
onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan:
daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is,
om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het
kwade altijd zijn meester loont."
"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er
aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die
twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf
beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier
namaals merkelijk verzwakt?--En leert ons eene, misschien ook wat
oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de
rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht
en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"
"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te
letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade
hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan
hecht:--verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar
alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke,
onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar,
geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min
leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den
booze--want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet
houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te
scheiden, goeden en slechten;--ik heb nooit zulk een volslagen schelm
gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch
daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks--het moge, zoo als ik zeide, den
booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik
ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als
zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan
aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een
_a plus forte raison_); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen
hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht
zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men
verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen;
maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets
menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen
uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk
blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf
moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning,
ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn.
Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg,
welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren
kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning
kunnen strekken, evenmin kan men beoeordeelen, of de ogenschijnlijk goede
daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde
lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten
heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo
heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zou men
dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar
oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger
gepleegd."
"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet
overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid,
indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat
hij door eigen schuld ongelukkig ware?"
"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons
medelijden heeft."
"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij
komt; doch--om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken,
dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der
wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zou kunnen
terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier
kan opsporen."
"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de
oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo
kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar
ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste
onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat
elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan
getuigenis geven zoude."
"Nu! ik zou gaarne een zoodanige geschiedenis zien."
"Ik zou gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de
goedheid hebben, even aan de schel te trekken."
De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den
Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast
van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met
rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen
te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar
weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."
"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der
dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die
de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare
onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en
ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden;
en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."
"En--de geschiedenis van de geschiedenis?"
"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als
gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan
het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een
groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met
mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat
wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der
meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt:
"_ou trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans_," vroeg
hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar
de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"--"Maar,"
vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch
leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in
een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden
bestempeld worden."
"_Le vrai peut quelquefois n'etre pas vraisemblable_," zeide ik, maar
voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om
de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans
veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken,
zou ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende,
die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele
toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks
in een roman zou aantreffen."--Ik betuigde hem mijn verlangen om dat
handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na
de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht
hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide
hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de
eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid,
wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij
niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin
voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50