Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 BEN-HUR
Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Uit het Engelsch van
LEWIS WALLACE
door
ALMA
(A.M.Th. Doedes)
* * * * *
VOORBERICHT.
Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene
nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid
zulk een meesterstuk waardig.
Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit
den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en
zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is,
als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom
gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door
hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.
Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk,
waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en
omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie
mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer
noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen
heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet
opdoemen.
Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de
inhoud der evangelien niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene
soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond
blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een
eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen
uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar,
Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit
Europa, Azie en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de
Schrift, zij het ook slechts een van de drie, den vromen Balthasar uit
Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles
wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt
noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd,
en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.
Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan
volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als
een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te
verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping,
die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo
vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.
In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der
liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen
drang van wraakzucht en haat. Alleen een (en dit denkbeeldig) type, de
vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type
van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het
wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een
Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en
aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.
Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van
wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de
keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn
recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld
overwonnen."
Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig
bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een
verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het
de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de
liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden.
Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan
Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden
noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden
geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij
ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren
wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het
kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.
Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten
martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den
wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in
lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een
Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven
_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben
met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."
C.S.A. v. S.
* * * * *
BEN-HUR
BOEK I.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
IN DE WOESTIJN.
De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo
smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het
zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige
klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabie. Een
dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste
gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot
een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders
een deel van de woestijn zouden uitmaken.
De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en
oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van
tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in
het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar
haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.
Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de
bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die
koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de
aandacht vestigen.
Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn.
Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn
donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek
slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote
donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone
oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent,
een witten kameel.
Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de
eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door
de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere
nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per
karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouinen, zal de westerling,
waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der
woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het
uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn
onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar
geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.
De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op
het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn
forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en
veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den
afstammeling van een oud Syrisch geslacht.
Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El
Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De
zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Voor hem lag
de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de
regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond
bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen
hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes
gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter
hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door een blik op die dorre
woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane
weg op.
Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang
gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon
toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje
in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte
patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en
klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van
den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed
uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles
zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig
vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid
werden.
Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger
in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap
was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog
slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar
lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige
machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog
ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes
opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de
atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken,
de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht
vonkelde en trilde in dien gloed.
Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in
dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het
gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu
naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen,
en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.
Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel
uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit
een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek
naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep
adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een
oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en
bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed
om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.
Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen
voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.
Noot: [1] Doorwaadbare plekken.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE DRIE REIZIGERS.
Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet
groot, is hij toch een flinke figuur.
Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden,
losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was,
zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede
voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange
glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders
nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo
Mizraim, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een
lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs
hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed,
met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan
de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen.
Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok
niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat
nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en
niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus of van
zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, of zich onder bijzondere bescherming
gevoelen.
Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef
hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij
tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen
zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde,
was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel
aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een
poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was
hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te
zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te
hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de
langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze
met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond
en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en
zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet
het minste teeken van leven.
--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde
zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij
moeten geduld oefenen.
Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder
voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft
leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.
Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in
de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken,
gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas
en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte,
zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten
bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij
verwachtte.
Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten
trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond
genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde
hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en
grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon
hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende
op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.
De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is
groot! riep hij diep ontroerd.
De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij
scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de
tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen,
boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den
Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden
zij elkander.
--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.
--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de
Egyptenaar hartelijk.
De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in
hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig
brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indier,
geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren.
Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.
--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.
En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie,
daar komt onze tochtgenoot.
Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met
snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn
berijder op hen toetrad.
--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En
de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!
De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden.
Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende
lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed
en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend.
Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de
veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het
vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn
uiterlijk teekende den Griek.
Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem:
De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de
dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is
gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand
nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch
hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een
doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt,
mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk
dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij
zijn en vanwaar wij komen.
Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden
de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van
allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen
ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.
Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander
verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal;
en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van
heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
CASPAR DE GRIEK.
Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de
maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de
woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het
hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn,
daarna begon het gesprek.
--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn
naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als
gastheer den maaltijd geleid had. Voor ons liggen vele dagen van
vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander
leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst
hier kwam, beginnen met te spreken.
Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon
de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna
niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik
begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van
Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in
gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo
onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is
God, die het mij opdroeg.
Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat
hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een
land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld
er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten,
van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne
krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land
wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal
worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland.
Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de
meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee
onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een
onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts een God is, volmaakt
rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten,
vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest
toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen
God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren
--daar gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen,
is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van
achter den muur tot mij.
In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte
van mijn land, in Thessalie, is een berg, dien mijn volk voor de
verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij.
Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol,
daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever,
wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring.
Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo
vast, dat ik het ook mogelijk achtte zoo naar Hem te smachten, dat Hij
medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.
--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de
handen omhoog heffende.
--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende.
Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermai. Op
zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend
schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde
hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van
zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk
bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was
dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet
beschaamd geworden; God had mij geantwoord.
--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de
Hindoe.
--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg,
om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.
--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde
mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de
eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard
hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en
haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat
die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar
uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring,
waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook
nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere
aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen,
wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne
hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot een
land, tot een ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken.
Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne
vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid
te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en
behouden worden.
Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en
smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij
kwam, te zien en te aanbidden.
Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen
ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar
bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam
nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij
bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde
ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft
overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde,
zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond
zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u
zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene
zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als
vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij
gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord
genomen en te Antiochie aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met
toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de
Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia,
tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe
mogen vernemen.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
MELCHIOR.
De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de
hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder
heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn
naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op
aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst
bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indie. Ik ben Hindoe van geboorte.
Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven
bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige
kennis.
Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven
tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen,
eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen
te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel
treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel
opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van
Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg,
een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid
is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een
zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32