A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder.
Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk
Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man
hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in?
Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den
staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot
zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat
gij hebt en--uzelf?

Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven
Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was,
behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat
moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad,
legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder
en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.

Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim
pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen
opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen
sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en
hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep
hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van
wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon
geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had
hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van
een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van
een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden?
Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en
bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging
gevoelen.

Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.

--Wat is er van uw verlangen?

--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.

--Wil mij dan volgen.

De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap.
Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis
stond. Voor hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis
dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel
verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en
geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig
tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw,
welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening
onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad
leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur
opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van
een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven
gordijn.

--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om
onzen reiziger aan te dienen.

Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.

Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium
genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt
tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met
dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de
paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht.
Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig
omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van
violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar
binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van
voetstappen er zich geheel in verloor.

In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half
weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een
bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't
hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging
hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne
handen omhooghief.

Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde
houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van
den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.

--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij
de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.

--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood,
antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u
eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen
met wien ik spreek.

Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was
zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche
kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in
de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde
ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal
geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den
gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele
rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in
beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een
man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou
opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.

--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het
geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude
beide handen toe.

De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op
de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen
bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling.
Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom
in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.

Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van
onzen God zij met u; ga zitten en rust.

Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon:
Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal
aanzien. Gisteren naar Antiochie reizende, vernam ik dat hij mijn vader
gekend heeft.

--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga
toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia
spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud
geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds
genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner
afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek,
geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.

Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn
aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik
trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij,
zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza!
Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?

--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.

--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord
heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En
gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid
ik u, een oogenblik naast mij staan.

Het meisje deed wat haar verzocht werd.

--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had
hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die
man zijt.

Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de
vuist.

--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders
is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?

Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den
bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam
naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon:
Ik ben oud geworden voor mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij,
die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis
bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders
dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God
van Israel sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is
zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn
ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere
wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was
mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij
genomen werd.

Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.

--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders
zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie
omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!

Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader
tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt
gij, niet waar?

Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel:
Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik
sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij
zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne
verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift?
Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?

De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.

Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en
keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen,
zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!

Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet
gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open
voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle
bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en
zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon
beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs
Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen,
dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den
zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen
zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel
eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle
wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen
handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die
stille smart en wachtte zwijgend.

--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne
levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw
oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.

--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend
heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.

Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn
wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne
landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt
zijn verhaal opvatten.

--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en
overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem
hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij
schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten,
of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De
waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon
aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit
was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot
geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou
hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik
af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als
onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij
soms waarom ik zijne andere gaven wel aannam? Dan antwoord ik: Ik had
hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten,
die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog
een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat
het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en
mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus
heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb
ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te
Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den
duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot
den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne
plannen verliet ik Rome voor Antiochie, vast besloten om den Consul
Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het
slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te
voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste
omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten
wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en
landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren
van Simonides, den grootsten koopman van Antiochie. Hij vertelde ons van
zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen,
weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste
belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een
Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak
hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.

Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem
aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even;
toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.

--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel
uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de
schaduw van verdenking nog op mij rust.

Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde
het stilzwijgen.

--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand,
vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik
behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den
gouverneur dezer stad in Antiochie vertoeft; maar ik kan niet bewijzen
dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.

Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe
ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden:
De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid
ik u.

Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol
tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides,
uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.

Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.

--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik
mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn
bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of
rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht
geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door
uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik
heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis
aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige
erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog
eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag,
die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij
mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in
schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn?
O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?

De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef
onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur
gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele
rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf
stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder
gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie
geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van
den aardbodem verdwenen.

Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen,
zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo
ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb
nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.

Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.

--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.

Esther kon niet spreken, zij snikte luid.

En zoo vertrok hij.


* * * * *


VIERDE HOOFDSTUK.

SIMONIDES.


Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den
slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur.
Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!

Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop
verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman
bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.

--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een
werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel.
Luister! Zooeven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan,
slank, schoon, als Israeliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet
onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten
waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij
zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze
mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne
gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga
gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem,
en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen
niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u
voort!

De man groette en ging heen.

Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.

--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem
onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij
lachend, Esther.

Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te
doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen
dag kon vergeten!

Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker,
zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag
voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij
brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar
bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de
wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij.
Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op
een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij
haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat
met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.)
Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag
zien herleven!

Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende
gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?

--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.

--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de
rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn
mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als
een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.

Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den
stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van
het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen
de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar
een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de
talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther
alleen.

Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de
drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en
merkte het ternauwernood op.

Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne
hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn
gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching
teruggegeven.

--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te
zien dat gij voor hem gewonnen waart.

Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat
ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.

--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?

--Als hij het niet is....

--Nu, wat dan, kind?

--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan
uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze
handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme
paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de
vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer
zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.

--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord.
Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?

--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.

--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid
begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus
goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en
van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets
vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven
ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw
gemoed zich tot den God Israels zou keeren, als het riet naar de zon. Ik
ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den
berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij
verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen
ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot
altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst
Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij
naar zijn magazijn in Alexandrie, waar ik meerderjarig werd. Ik diende
hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.

Esther klapte in de handen.

--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!

--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met
groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van
lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst
Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet.
Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens
de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op
gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.

--En mijne moeder? vraagde Esther.

--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken
heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe
moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het
Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis.
Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te
mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren,
maar thans als een gehuurde zoon van Israel. Hij droeg mij de leiding op
van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne
karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind,
maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot
gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik
de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen
nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den
vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij
daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar
lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven.
Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar
dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief,
maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid
niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar
haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde
worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende
tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne
doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn
leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar,
Esther, zie maar.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.