A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne
gedachten.

Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij
telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te
vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon
onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot
bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk
in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede
reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst
kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel
goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer
is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij
balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor
zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.

Voor alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en
dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den
opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te
schudden was een heilige, bezielende plicht.

Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn?
De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen
gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde
onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene
voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet
zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht;
hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist.
Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israel in staat zou zijn, om geheel
alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen
vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar,
helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die
mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held
mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn
roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het
Macedonie van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder
de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten.
En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in
zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.

Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist
of de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van
Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord
--de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog
wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den
held, de wereld onder de wapenen!

Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik
Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de
overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die
den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem
zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden
zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden
zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius
afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te
brengen, opdat Israel gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake
aanbrak.

Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven
vernomen. Was hij voldaan?

Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der
onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.

Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde
Ben-Hur zichzelven gedurig.

--Hoe zal dat koninkrijk zijn?

Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich
vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de
aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een
heerschappij van onbeschrijfelijken luister.

Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig
voorkwamen?

--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk
een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten.
De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen
zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld
van wapenen,... maar door wat dan?

Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht,
die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend.
Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.

Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.

--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, een woordje en
dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.

--Ik luister, Sheik.

--Wat de dingen aangaat, die gij zooeven gehoord hebt, zeide Ilderim,
geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe
koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed
man uit Antiochie, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar
gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u
de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan
aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning
zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt
mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!

Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides
hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt
alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die
weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder
geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik
zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ...
een vrouwenstem. Het komt hierheen.

Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De
zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille
wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een
Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.

Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht.
Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij
heerlijk! En wat was zij schoon!

Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn
geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en
zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.

--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is
mij gezonden.

Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.

In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige
plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het
begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?

Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.

En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!

Wie van de twee zal het zijn?


* * * * *


BOEK V.


* * * * *


EERSTE HOOFDSTUK.

GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.


's Morgens na de bacchanalien in de zaal van het paleis lagen de jonge
patriciers hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius
heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te
ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou
van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat
men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals
zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.

Een maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was
stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest
beeindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op
zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn
kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen
verlaten.

Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen
uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan
Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat
de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien
maatregel.

De inhoud was als volgt:

Messala groet Gratus.

Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon
zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe
belangstelling in hooge mate zal opwekken.

Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te
komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het
gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht
uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij
niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor
den geest zal kunnen brengen.

Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter
wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit
blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele
gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en
hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening
onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig
was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn!
--behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die
bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan,
gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat
mij werd toegewezen.

Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om
ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar
natuurlijken dood van de betrokken personen.

Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van
den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek
van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven
zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus,
om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.

Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij
bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de
misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo
luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn
lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem
opnam.

Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!

Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in
aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst
reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de
drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij
een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste
der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon
van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te
noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die
uitgebreide familie in de armen moeten vallen.

In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren
ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te
danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting
jegens u te willen verkleinen.

Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van
eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge
geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag
hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder
de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een
zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om
nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de
zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien
bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde,
bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk
den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare
munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij
naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op
de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van
fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich
te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik,
mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie
zou het weten, als gij het niet weet?

Zegt gij tot dit alles: o-ho?

Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn
schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius
zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders
verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum
van een galeislaaf droeg.

Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt
zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen
zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik
verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij
dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was,
dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft,
in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook
doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt;
wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't
het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst
moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.

En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking
nemende, dat uwe sestertien in gevaar verkeeren, wier verlies het
ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof
ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan
overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat
spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.

Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult
ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat,
dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en
bondig uw oordeel uit te spreken.

Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden
uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal
over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat
gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de
verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche
wereld.

Ik zal uw antwoord afwachten.

Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester,
den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand
gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te
verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een
onherbergzaam, woest oord.

Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op
het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij
gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij
vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle
overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik
Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen
trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als
eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.

Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den
Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van
een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij
ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden:
tijd, plaats en middelen.

Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak
toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw
bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!
XII. Kal. Jul. Antiochie.

* * * * *


TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORBEREIDING.


Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven
Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had
een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een
korte Romeinsche tunica zonder mouwen.

De Sheik groette hem van den divan.

--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met
bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van
kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed.
En gij?

--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede
Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.

Ilderim klapte in zijn handen.

--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.

--Zijn zij reeds opgetuigd?

--Neen.

--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik
kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik
tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren
kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig,
niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof
en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.

--En den wagen? vraagde de Sheik.

--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug
zijn als de andere.

Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep
hij een der slaven.

--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius,
beval hij.

Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en
ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden
--in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal
hem u laten zien.

Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden.
De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop,
levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als
vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij
Ilderim zag.

--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier,
goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij:
Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op
onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te
worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of
de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij
vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden
zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag
vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is
welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!

--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde
Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.

--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de
woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?

--Neen.

--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren
afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze
lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik
de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar
is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist
naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het
onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen,
totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius,
ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan,
hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.

Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het
gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en
ordende de teugels.

--Breng mij Sirius, zeide hij.

Met een sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat
niet hebben kunnen verbeteren.

--En de teugels!

Men gaf ze hem.

--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit
gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.

Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet
schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond
tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en
zekerheid optrad.

Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij
Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte
met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!

Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen,
vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de
dingen, die komen zouden.

Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet
het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds
wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna
in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot
besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu
hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik
oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar
Ilderim.

--Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik
wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie,
vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid
is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u
van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de
overwinning behalen en onze....

Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met
twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende
hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!

Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak!
Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de
man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand
eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.

--Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de
bedienden water brengen voor de paarden.

Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en
zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van
draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in
vollen ren over het veld te laten vliegen.

Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen
den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte
eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning
scheen te kosten.

Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht
den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik
makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den
koopman.

--Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne
vijanden vernietigen!

--Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk
te lezen.

Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde,
en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.


No. 1.

SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

Mijn vriend! Wees voor alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats
in het binnenste mijns harten inneemt.

Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer
gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij
door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen
leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal
meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis
vertelle, en uwen raad inwinne.

Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet
strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta
voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.

Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter,
gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen,
zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds
plaatsen besproken.

U en al den uwen vrede!

Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?

No. 2.

SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend
woord.

Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed
bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met
volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.