A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.

Een woord van raad.

Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van
de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied.
Daarom, wees op uwe hoede.

Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de
wegen, die van Antiochie naar het zuiden voeren, en beveel hun
iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij
vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u
dan ter inzage zenden.

Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet
te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen
koeriers Antiochie verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen,
en kunnen hen voor zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.

Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag
en stak het pak tusschen zijn gordel.

De oefeningen in het veld waren bijna beeindigd. Zij hadden in 't geheel
ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de
plek, waar Ilderim zich bevond.

--Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de
tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.

--Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken,
zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan
de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele
weken. Wij zullen winnen!

Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren.
Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik,
die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en
wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.

Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons
van belang is, zullen wij slechts bij een punt stilstaan.

--Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische
brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als
gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....

Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te
zijn.

--Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij
broeders zijn van een stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven
zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.

--Arabieren zijn dat zelden.

--Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen
na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar
recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van
den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen
voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen,
zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur
ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien
van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te
bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed
geheugen, Malluch?

--Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar
nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.

--Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag
gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die
van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een
voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij
licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen
hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat
gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij
het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij
voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te
zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat
van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.

--Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het
middelpunt der as tot aan den grond meten.

--Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.

Voor de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank
aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde
Malluch naar de stad terug.

Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als
koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem
aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge
boodschap meegegeven.


* * * * *


DERDE HOOFDSTUK.

OP HET MEER.


--Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een
boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent
gemakkelijk had gemaakt.

--Geef mij de boodschap.

--Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen
vergezellen?

--Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.

Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om
zich naar de schoone Egyptische te begeven.

De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het
Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der
schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de
kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen
bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de
uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij voor den nacht
terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om
te gaan spelevaren op het meer.

Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste
trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het
spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopier, de
kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op
de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit
zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en
tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer,
als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare
onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals
door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur
den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten
brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den
koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad;
uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op,
mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is
voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde;
de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in
het land gehoord....

--Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat
gij een slecht zeeman zijt.

Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel
naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.

--Ik was bang voor....

--Waarvoor?

--Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.

--Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf
den Ethiopier een wenk om van wal te steken.

Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij
het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo
gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne
gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem
gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De
nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar
blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding
nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in
aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen
zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het
is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale
over te gaan.

--Geef mij het roer, zeide hij.

--Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u
niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de
betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal
spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen
waarheen wij gaan.

--En waarheen dan?

--Alweer bang?

--O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen
gevangene.

--Noem mij Egypte.

--ik zou u liever Iras noemen.

--Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.

--Egypte is een land.

--Ja, ja, en welk een land!

--Ha! wij varen dus naar Egypte!

--Was dat waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.

--Gij geeft dus niets om mij?

--O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.

--Neen, nooit.

--Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land
van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate
gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds
vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts
eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als
kinderen zoo blij.

--Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?

--De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen
genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is,
kan een Griek of Romein niet beseffen.

--Maar ik ben noch Griek noch Romein.

Iras lachte.

--Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom,
die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij
vandaan kwam?

--Uit Perzie, het vaderland der rozen.

--Neen.

--Uit Indie dan.

--Neen.

--Dan van een der Grieksche eilanden.

--Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende
aan den weg op de vlakte van Rephaim.

--O, in Juda!

--Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De
zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon
kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest
groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door
zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb.
Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israel. Waar zullen zij tot
volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?

--Mozes was slechts een uit millioenen.

--Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?

--De vriendelijke Pharao's zijn dood.

--O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied
toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.

--Alexandrie is een Romeinsche stad.

--Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van
het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar
het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het
Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de
Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg,
waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden
gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien.
Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is,
en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke
tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen
sterven.

Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien
laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met
niet minder geestdrift over Israels verdwenen grootheid gesproken had.

--Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij
mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond
beluisterd.

--Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien
ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den
golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets
geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrie komen, zal ik u
brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de
Ganges kunt hooren zingen.

En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou
hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.

Toen zij beeindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen,
schuurde de boot over het zand en liep op den oever.

--Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.

--En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopier met een
krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.

--Nu zult gij mij toch het roer geven.

--O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij
zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk
sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu
naar het Park van Daphne gaan.

--En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.

--Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink
optrad, vraagde zij.

Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.

--Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en
koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen
en met ons varen.

--Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De
dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den
Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?

--Dat kan ik u niet zeggen.

--Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?

--Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.

--Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en
de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen
hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.

Zij lachte bij de herinnering.

--Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.

--Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's,
roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochie?

--Misschien wel.

--Egypte zou hem beter lijken dan Syrie.

--Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.

Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in
't gezicht.

--De dowar! riep Iras.

--Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch
Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indie
gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.

--Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet
gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te
denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren?
Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik
gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte
vertellen.

--Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de
volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.

--Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?

--O neen.

--Over de wijsgeren?

--Neen, neen.

--Over de toovenaars en sterrenwichelaars?

--Dat zou kunnen.

--Over den oorlog?

--Ja.

--Over de liefde?

--Ja.

--Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de
geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol,
waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve
ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.

NENEHOFRA

Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo
bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij
voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven
de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen,
vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen.
Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn
vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van
mijne bevalligheid.

Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan.
Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare
schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die
niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke
Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen
echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar
gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.

De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd
van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over
Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk
tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn
schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning
stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij
over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte,
waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het
verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe
men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de
koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel
wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont
Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar.
Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen;
maar wie kan neen zeggen tot Oretes?

* * * * *

Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis.
Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen
troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot
koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar
liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in
zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar
al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O
Nenehofra, geef mij een kus uit liefde en dit alles is het uwe.

Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet
reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne
honderden jaren.

In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In
het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen
haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was
machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen
voortduren!

Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach
verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde
langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van
toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos
opgegeven.

Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen,
en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om
de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.

--O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg
mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen
wegsterven.

--Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde
haar antwoord.

--U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het
bij het oog van Osiris. Spreek!

--Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een
anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha.
Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te
weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied
hem.

* * * * *

--Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En
Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik
niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik
u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.

--Een misdaad! riep Oretes toornig.

--Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen
en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat
zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die
liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft
zij.

--Waar is de zoon van dien tuinier?

--In Essouan.

De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner
dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling,
genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der
koningin.

En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige
werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland,
dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met
vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de
winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.

Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om
Barbec gezonden.

Nenehofra kuste zijne handen.

--Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u
storen, een geheel jaar lang.

Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de
rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare
lippen.

* * * * *

Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het
drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder
iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar
het paleis te Memphis terug.

--Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.

Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning,
want ik ben genezen.

Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.

--Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde
wordt door liefde genezen.

--Zoo is het, zeide zij.

Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was
vreeselijk om te zien.

--Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.

Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.

--Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man,
aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den
koning, aangedaan, moet gestraft worden.

Zij wierp zich voor zijne voeten.

--Stil! zeide hij. Gij zijt dood.

Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen,
parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne
afschuwelijke kunst in de hand.

De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.

* * * * *

Nenehofra, de schoone, werd na tweeenzeventig dagen naar de crypt
gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare
koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige
ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.

* * * * *

Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd:
Menopha had ongelijk.

--Hoezoo?

--Liefde leeft door lief te hebben.

--Dan zou er dus geen middel tegen zijn?

--Jawel. Oretes heeft het gevonden.

--Welk dan?

--De dood.

--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.

Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij.
Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de
stad.

--Maar gij komt bij de wedrennen?

--Zeker.

--Ik zal u mijne kleur zenden.

Daarmee scheidden zij.


* * * * *


VIERDE HOOFDSTUK.

DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.


Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug.
Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide:
Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het
dadelijk te lezen.

Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het
opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.

--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het
Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar
van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala,
ontcijferen.

--Waar is de jonge Jood? vraagde hij.

--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.

De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn
gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een
vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.

--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.

Taal en kleeding verrieden den Romein.

Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij
spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik
Ilderim.

--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de
vreemdeling.

--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich
gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben
een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid
overtreffen.

De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het
punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling
hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u
laten zien. Ik heb het nu te druk.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.