A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad
terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.

Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms
twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich
als menner te willen verhuren.

Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.


* * * * *


VIJFDE HOOFDSTUK.

BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.


Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de
paarden een oogenblik rust gaf.

--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen
nemen, zeide de jonkman.

--Dan reeds? vraagde Ilderim.

--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak.
Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal
hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen
zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.

--Dat is zoo, zeide Ilderim.

--Een ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen
schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn
zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als
zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen
zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de
wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien.
Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt
gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.

Bij de deur der tent stegen zij af.

--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken
behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie
eens hier en help mij met uw Latijn.

Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide
hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn
is mij een gruwel.

Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen:
Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om
't hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.

--Hoe nu? Ik wacht.

Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.

De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden
koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich
thans in handen van Ben-Hur bevond.

Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van
Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs
moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met
inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de
wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het
stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken
personen.

Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij
bedekte zijn gelaat met beide handen.

--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.

De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij
op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den
brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede
te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.

Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan
zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder
ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het
verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt
opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen,
of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of
zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog
is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood,
zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou
hij er van gehoord hebben.

Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om
den Sheik.

--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te
zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te
vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden
gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare
wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met
mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door
den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons
beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen.
Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden
waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen
misschien kinderachtig aanstelde.

De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat
Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hem betrof: Gisteren zag ik den Jood
in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is
hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te
houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou
ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van
Sheik Ilderim, den verrader.

--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.

--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn
bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet
veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien
Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.

--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters!
Mij naar Rome inschepen!

Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer,
o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij
man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog,
moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne
hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet
zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik
nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of
tien ... of vijf!

Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef
toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij
den schouder.

--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even
sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot
wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen
plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van
Hur, zoon van Hur, ik zeg....

Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de
aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.

--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een
groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest
omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen
grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de
wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te
schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd
tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij
desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak,
ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou
tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de
hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen
aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier
vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur
verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden.
Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij
hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en
al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend
oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou
niet kunnen slapen. Ik ... ik....

De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te
zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke
ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich
bij zijn waren naam hooren toespreken. Een mensch kende hem dus. Een ten
minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een
Arabier uit de woestijn!

Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is
waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was
gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een
veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben
kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig
kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?

--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim.
Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochie kwam.

--Weet men, dat zij in uw dienst zijn?

--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te
dooden heb.

--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet
dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?

Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik
heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.

--Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?

De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling
zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen.
Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u
spreken. Geef mij den brief.

Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag,
en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde
hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt
mij geen antwoord gegeven.

--Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen.
Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn
vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd.
Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust
gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome
zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste
leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik
geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij
laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus.
De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan
en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen
waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij
aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God
mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf
gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen
voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.

Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon:
Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer.
Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over
al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot
legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Voor den nacht
zult gij mij zien, of van mij hooren.

Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochie.


* * * * *


ZESDE HOOFDSTUK.

EENE OPROEPING.


De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur.
De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om
de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd
had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde
goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in
het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte,
en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot
alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.

Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot
overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers
waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog
veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig
onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn
gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij
zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf
zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig
wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om
te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden
als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?

Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de
lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk
echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne
vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte
kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar
vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.

Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter
niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer
onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea
daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen
worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en
rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en
machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen
dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.

In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal
gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te
keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij
dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het
Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere
zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen
van het vierspan.

Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het
veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde
had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak
Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit
het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen
missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de
mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij
niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij
rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein
mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel,
en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen
het vierspan toe, en zij verstonden hem.

Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te
wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in
ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan
de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het
smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie,
die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had
een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig.
Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor
hem.

--Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik
Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.

Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran
kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur
liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het
vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later
waren beide mannen op weg naar Antiochie.

Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit
de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door
middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad
van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat
Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden
hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard
in en zeide: Hier moeten wij zijn!

Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?

--Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.

Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning
gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij
binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed
herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!


* * * * *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

ERKEND.


Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad
alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den
vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond
nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met
zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie
personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.

Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat
verlangde men van hem?

Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en
duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.

De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen
op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding
en groet konden niet worden misverstaan.

--Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een
zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter
verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.

Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare
op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te
stellen.

Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther:
Een zetel voor den meester, mijn kind!

Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker
waar hem te plaatsen.

Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier
wil ik zitten.

Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik
deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid
begrepen.

Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide:
Geef mij nu de papieren, Esther.

Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die
haren vader.

--Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren
ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende,
heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen
tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en
onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles
duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?

Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.

--Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet
weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op
de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij
weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij
voor u zijn.

Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden,
maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die
papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en
als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.

Simonides nam de rol weder tot zich.

--Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over,
opdat zij niet verward raken.

Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat
vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.

--Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke
som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de
handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets
redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers
daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome,
Alexandrie, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120
talenten.

Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten,
zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.

Aan schepen 60 talenten.
" goederen in voorraad 110 "
" cargo's in transport 75 "
" pakhuizen 10 "
" kameelen, paarden, enz. 20 "
" in te vorderen gelden 54 "
" los geld 224 "

553 talenten.

Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader
onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat
maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.

Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van een
weder op en bood ze Ben-Hur aan.

De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet
beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel
van een welvolbrachten arbeid.

--En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen
kunt.

Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides
kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor
zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.

Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite
zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij
als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zoo lang
dat hij mij eindeloos toescheen, en zoo donker dat ik alle hoop had
opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten
heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de
wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij
zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in
zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep
ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij,
Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!

Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en
vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen,
huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides,
terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.

Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van
aandoening. Simonides alleen bleef kalm.

--Met eene uitzondering echter en op eene voorwaarde, hernam Ben-Hur.
De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben.
Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en
zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin
beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.

Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp
u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zoo tot mij gezonden heeft.
Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik
ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een
blad. Neem het en lees. Lees overluid.

Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur,
ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:

1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem.
2. Simonides, rentmeester te Antiochie.
3. Esther, des rentmeesters dochter.

Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht
beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de
dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan
was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem
onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg
zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is
inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld,
kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is
het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij,
schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige
zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer
kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik
schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?

--Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen
licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt
ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht,
omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor
draagt nog het litteeken van den priem.

--Deed mijn vader dat?

--Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en
nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne
Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet
worden, tenzij ik werd wat zij was.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.