Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32
Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten
worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een
eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen,
zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een
schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat
licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond
ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het
ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de
Liefde.
Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk
en hij vouwde de handen tot een dankgebed.
--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij.
Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen.
Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.
Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom
zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de
schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren
in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche
scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne
liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op,
want een woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, een
vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar
het verzengende strand sleepten om daar te sterven, een zegenbede, een
beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land,
voorrechten, kaste.
Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij
uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de
wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of
zochten mij te dooden. Nergens in Indie kon ik ten slotte vrede of
veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij
gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste
gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor
God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen.
Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs
duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de
diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van
een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen
hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid
mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te
verbeiden.
Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer
zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen
vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel.
Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn
hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen
ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide:
Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indie! De
verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der
aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u
op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den
Geest die u zal geleiden.
Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest
met mij was.
Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs
denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen
van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor,
Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar
Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen
mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere
wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem
spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
BALTHASAR.
De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en
gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij
hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning.
Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren
vertellen.
Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrie geboren uit een vorstelijk
en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende
opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den
dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts,
onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen
heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid
gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven
wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk
der Hebreen, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den
eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen
uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna
zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.
Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles
nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de
goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreen.
Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot
van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet
langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de
scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze
verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan,
niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het
Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe
priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig
leven--een leven met God.
Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen
deelgenoot te maken van dat goede nieuws.
Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk
van Alexandrie en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en
het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior,
steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het
nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen
God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken
mijner poging, eindelijk vond ik haar.
Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond
door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den
avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen.
Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij
lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne
prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder,
dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een
heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming
wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar
ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.
Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik
mijne uitgestrekte bezittingen zoo, dat het inkomen vaststond en ten
allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat
volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de
dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eenen waren God, een leven
in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt,
hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te
ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.
Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In
die jaren, mijne broeders, kwelde mij eene gedachte: Wat zou er van de
goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te
bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik
heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld
is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een
hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet
niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen
staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een
terugkeer tot den Eenen waren God alleen kan plaats vinden langs
bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen
sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den
mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het
menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet
Hij persoonlijk komen.
Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste
de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de
woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht
te zoeken.
Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar
woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht
van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.
Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water
weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten.
Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn
hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem,
niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de
verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen
der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op
in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad
Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de
geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het
Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den
Geest, die u zal geleiden.
En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als
leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel
kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon.
God is met ons, broeders!
Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.
--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de
Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem
met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk
zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat
de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke
wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.
Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon
neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij
zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de
overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne
kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den
Egyptenaar.
De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen
hunnen weg, toen eensklaps in de lucht voor hen, ongeveer ter hoogte van
een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot
een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst
der ziel ontroerd, riepen zij als uit eenen mond: De ster! de ster! God
is met ons!
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
JOZEF EN MARIA.
In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of
Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de
merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige
oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een
overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt;
kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna
3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter
plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een
komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk,
de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien.
Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept:
Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den
Bouwmeester!
Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.
Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie
wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van
den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote,
het 4de voor het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden
de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en
beweging. Ja, zoo bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne
uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der
poort.
Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds
naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet
vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit
een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het
dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der
andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een
vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel
rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den
vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in
een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen
stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij
den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo
weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de
man aangesproken:
--Zijt gij niet Jozef van Nazareth?
--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De
vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!
--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij:
met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn
borst en groette de vrouw met een hoofdknik.
Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen
zien, dat zij nog zeer jong was.
--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik
denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.
--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan
Bethanie, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.
--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?
--Wij zijn op weg naar Bethlehem.
Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in
Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het
keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!
--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.
De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen
gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?
--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef
voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.
--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het
geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te
betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.
Jozef zweeg.
--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend.
Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is
schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias
uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.
--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.
Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi
haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de
uitdrukking harer oogen troffen hem.
--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.
--Zij is mijne dochter niet.
Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde:
Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien
wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.
--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in
rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.
--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij
liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn
jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij
volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne
vrouw.
--En gij waart--
--Haar oom.
--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er
beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag
verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israel! Zijn is de
wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen
zonder te groeten.
Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel
is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.
Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij
het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te
eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap
zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde
naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele
merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten
elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de
jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te
krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met
haar te maken.
Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was
fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking,
de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde
haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen.
Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid
en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de
overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens
sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed,
menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot
haar sprak.
Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar
Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een
oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de
wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen.
In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon
te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de
_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield
zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de
poort gelegen herberg bereikt had.
* * * * *
ZEVENDE HOOFDSTUK.
TE BETHLEHEM.
Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij
wel bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche
herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd,
een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders
dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd
gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de
herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging
zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo
vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de
heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrie,
uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar
gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van
een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en
eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of
zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het
meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of
waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan
den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een
vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij
verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die
inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap
medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het
noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en
het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming,
was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om
niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een
synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in
hooge eere.
Een stadje als Bethlehem bezat slechts een Sheik, bijgevolg ook een
khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn
jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens
gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden
duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid
toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef,
al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor
onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw.
Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.
Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk,
zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.
--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.
--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig,
zonder van houding te veranderen.
--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?
--Neen, alles is bezet.
--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is
mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.
Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle
verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets
uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard,
zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israelieten als de
hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den
deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide
beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg
een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan
een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was.
Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den
zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga
dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens
een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij
aangekomen zijt?
--Zooeven.
De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn
als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven,
leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik
dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws
weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?
Jozef zag peinzend voor zich.
--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie
hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.
--Wat brengt al die lieden hierheen?
--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer.
Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabie en
Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er
toe.
Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.
--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen
van allerlei aard.
Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf
aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud,
veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou
er in de stad plaats te krijgen zijn?
--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben
allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.
Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den
nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden.
Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben
vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids
geslacht.
--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een
kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg
opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik
kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons
haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.
--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te
halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde.
Zij had haren sluier opgeslagen.
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32