A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind
en stom.

--Welnu, commandant, dat was niet waar.

--Niet?

--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik
al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste.
Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De
drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat
in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en
was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle
verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij
trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren
door roest verteerd. In de cel vond ik slechts een man, oud, blind,
zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem
naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele
cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren
geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen
gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van
melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.

--Gij denkt dus....

--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts een man gevangen
heeft gezeten.

De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij
wel waar gij Gratus van beschuldigt?

Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.

--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf
gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie
personen?

--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als
gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat
ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en
aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid
heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en
werd voor mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf
hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te
worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op
eens terug, viel op de knieen voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf
hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige
andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op.
Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.

Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte
heerschte in het vertrek.

--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was,
vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in
den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn
rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds
mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een
schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op
zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord.
Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U!
Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en
het antwoord luidde: Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend
begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.

Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen
wil te vernemen.

De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik
begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie
gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.

--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties
water en brood aan de vrouwen.

--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij
het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij
zullen die vrouwen in vrijheid stellen.

Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik
heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.

--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide
de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen,
want dat zal morgen gewijzigd worden.


* * * * *


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MELAATSCHEN.


Een Israelitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter.
Help ons gauw, of wij sterven.

Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden
platten grond als cel VI aangegeven staat.

De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en
zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.

Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht
gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht
gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI,
omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet
alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een
langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar
beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven
metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen
oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle
mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet
laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de
cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.

Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen,
zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de
keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen-
bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen
bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare
bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.

Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar,
opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven,
veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een
smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!

Treden wij de cel binnen.

De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit
op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het
schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van
kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde
bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid
verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit
God.

Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad
geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange
jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende
bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar
binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij
dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo
stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen
hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij
zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan
in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar
immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander
moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft
is er hoop voor ons!

Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk
droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven
aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon
van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen
getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur.
De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien
een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar
zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te
drinken hebben gehad?

Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.

--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben
nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de
bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon
staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.

--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even
zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd.
Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?

Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.

--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu
zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze
vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In
mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele
vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en
zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem
luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet.
Een oogenblik later was hij verdwenen.

--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn
zoo veranderd.

--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te
pijnlijk.

--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar een droppel.

De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een
schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna
werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier
zijn.

Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van
den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten
gedurende al die jaren had plaats gehad.

Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende
kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen
op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?

Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar
gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven
teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!

Zij antwoordde luide: Een Israelitische vrouw, die hier levend begraven
is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.

--Houd moed. Ik kom dadelijk terug.

Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp
was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger,
dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.

Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag
aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de
gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende.
De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der
vrijheid brak eindelijk aan.

De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was
goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en
dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der
werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet
het schijnsel der toortsen.

--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch
gevonden!

Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de
deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de
cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens
met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te
laten.

Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten
hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte
echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te
verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat
over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!

Ontzet zagen zij elkander aan.

--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.

Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd,
dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en
uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.

Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood
beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op
grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen
in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds
moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot
afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.

Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand
iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te
wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza
hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch
rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een
gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich
uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende
plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden
zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er
kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart
Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden
bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.

Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk
zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat eene woord bij zichzelve
herhalende: melaatsch, melaatsch.

Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het
vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te
laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde
er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met
betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar
levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij
bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en
nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza
herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den
koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te
verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de
wereld, scheen vergeten te hebben.

Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar
wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met
blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch,
werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de
bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger
en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.

Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht
rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in
wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.

Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd
kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen
de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven
vast. Een band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en
dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden
er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting
verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij
gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst
geleden hadden, weder moed kwam inspreken.

De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed,
riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen
gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.

Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en
herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien
akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!

Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over
hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude,
gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare
woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen:
Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij
haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar
haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen:
Onrein!

De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.

--Wie zijt gij? vraagde hij.

--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons
en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!

--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en
door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.

--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten,
bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben
zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom
wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen
omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was
en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe
men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!

De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de
commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en
schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een
geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou
zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar
zijns ondanks gelooven en beklagen.

--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken
zenden.

--En kleeren, en waschwater, bid ik u.

--Het zal geschieden.

--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!

--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den
avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!

Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de
noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met
vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en
verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.

Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar
buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.

De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij
verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze
elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?


* * * * *


DERDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER.


Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen,
beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was
oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was
in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij
een luchtig, ruim gewaad.

Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof
hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich
verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.

Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet
zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en
verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.

Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad
Gods.

Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen
de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen,
den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.

De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de
toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad
in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem
voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af
naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner
vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.

De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op
zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter
zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem
gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een
krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot
hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne
plaats aangesteld was.

Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van
zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar
moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te
vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te
onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de
verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen
stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer
gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou
hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een
volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn
besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem
drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had
met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem
zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de
omstandigheden laten leiden.

Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle
mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden,
en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en
behoedzaam was.

Voor alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden
aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den
burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit
sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt
om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen.
Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder
en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren
zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende
haar lot.

In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen
allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat
Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest
zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men
zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen
der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al
wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien
tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven
van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor
gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was
hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het
er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de
verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken
krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en
daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.

De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde.
Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die
zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en
trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.


* * * * *


VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ZWARE STRIJD.


Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en
eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad
voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit
hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken.
De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren
waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de
onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van
Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte
dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en
onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn
streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat
vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen
en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven;
list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste
toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat
in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk
Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.