Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 | 26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32
Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in,
en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren
aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne
gesprekken. Een gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk
gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat
zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun
hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem
opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een
bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en
hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het
feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne
belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp
te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.
Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke
mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen
uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en
schitterende oogen.
--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileers. De rabbijnen en Oudsten
gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten
wij ons bij hen aan.
In een oogwenk had hij de Galileers rondom zich.
Naar Pilatus? Waarvoor?
--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe
waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.
--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende
blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te
nemen, als hij durft!
--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel
Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak
voort!
Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar
blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren
te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin
zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den
wijngaard.
--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.
Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een
zoon van Juda. Mag ik met u gaan?
--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.
--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.
Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg
uit. Kom mee!
Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal
worden? vraagde bij koeltjes.
--Ja.
--Met wie?
--Met de wacht.
--Legioenen?
--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?
--Welke wapenen hebt gij?
Niemand antwoordde.
--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar
zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen
hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.
De Galileers staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit
gehoord hadden.
--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik
ben gereed. Gijlieden ook?
--Ja, laat ons gaan.
De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe
stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend
het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden
de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den
heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne.
Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis.
Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel
hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium
bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen
gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere,
luidruchtige menigte buiten wachtte.
Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon
wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar
bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend
geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen
poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner
getal er uit kwam.
--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileer aan een man, die naar
buiten kwam.
--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis
en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen.
Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij
hen gehoord heeft. Zij wachten nog.
--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat
zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet
alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen
had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en
dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.
Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen
beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap
naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den
procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van
allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht,
die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.
Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo
gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en
gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden
zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens
openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan
naar buiten!
Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de
menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israel wordt hier niet geteld,
riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons,
alsof wij Romeinsche honden waren.
--Zal hij niet buiten komen, denkt gij?
--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?
--Wat zullen de rabbijnen doen?
--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen
luistert.
--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel?
vraagde een der Galileers.
--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen
ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?
Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig
keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag
begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte
aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten!
Kom buiten! klonk het onophoudelijk.
Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij
vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou
doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte
slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot
geweld zijn toevlucht te nemen.
Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.
Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van
pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de
portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit,
die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende
een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden
stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord
geven.
Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt?
vraagde hij een der zijnen.
--Neen.
--Ik zal u optillen.
Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den
grond.
--Wat ziet ge?
--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als
Joden gekleed.
--Wie zijn het?
--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan
zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.
Ben-Hur zette hem weer op den grond.
--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij
doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars
afrekenen.
--Ja, ja! riepen zij eenstemmig.
--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van
dienst kunnen zijn. Komt!
Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken
zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij
gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de
vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig
rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.
--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop
voorbijgaan!
Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde,
ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den
machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste
de voorplaats bereikt was.
--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.
Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de
woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.
Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich
vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen
werden met de Galileers, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens
gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd
heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur
verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste
nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd
vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw
was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid
vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij
op de vlucht. De Galileers zouden hen tot aan de portiek hebben willen
vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.
--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij
hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij
hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl
wij nog kunnen.
Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen
broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp.
Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke
gedachte.
De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem
uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt
gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!
De Galileers juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort
stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was
vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.
De wacht aan de buitenzijde liet de Galileers ongemoeid door. Toen zij
een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileers: Broeders,
gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van
avond bij mij in de herberg te Bethanie. Ik heb u een voorstel te doen
in het belang van het geheele volk van Israel.
--Wie zijt gij? vraagden zij.
Een zoon van Juda. Zult gij komen?
--Ja, wij zullen komen.
Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.
Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het
volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning
der Galileers onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden
overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich
zou doen hooren.
Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder
de Galileers, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des
Konings, die te komen stond.
Met welk gevolg zullen wij weldra zien.
* * * * *
BOEK VII.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
DE HERAUT.
De samenkomst in de herberg te Bethanie had dienzelfden avond plaats.
Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men
reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog voor het einde van den
winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze
ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen
verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt.
Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de
grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor
het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle
krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken
arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken
van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen,
inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van
manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt
anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een
geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.
Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en
opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen
bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel
vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides,
die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand
bezorgde en overal wachten had uitgezet.
Voor de Galileers had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de
stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land
bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek
des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar
zelfs de Talmud leerde: De Galileer bemint de eer, de Jood het geld.
Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland.
Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten
om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven
gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken
zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het
open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het
heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant
gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en
droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der
wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot
roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort,
met name den zanger van het hooglied en Hosea.
Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw,
moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig
werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende
geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun
daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk
zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat
van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij
toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij
vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de
profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochie op de komst
des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude
Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden
uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.
De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk
was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen
mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen
waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op
zijnen troon te handhaven.
De Galileers kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een
anderen naam had hij hun niet opgegeven.
* * * * *
Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne
Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had
opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief
overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:
Jeruzalem IV Nisan.
Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij
heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij
een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In
zijne prediking wijst bij steeds op een, grooter dan hijzelf, die
weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van
den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat
degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en
oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats
waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste
dagen van het Paaschfeest.
Malluch.
Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden,
zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen
en heeft zijne komst aangekondigd.
Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met
groote blijdschap.
--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts.
Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken,
zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning
werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.
Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan
Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De
brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den
hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen
gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen
Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.
De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden
zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN VERRASSING.
Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats
te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en
hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan
een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron,
moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.
Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids,
die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel
nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.
--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.
--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.
--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.
Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit
en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat
hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk.
Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn
paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte
zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en
Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet
mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?
Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel
hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag
de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord
had; ook den Ethiopier herkende hij. Toen de kameel het paard had
ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op
zich gevestigd.
--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.
--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.
--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch
meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs
ontmoet heb, als den geeerden gast van Ilderim.
--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere
heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak
mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier
zoo alleen?
--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide
Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een
karavaan, op weg naar Alexandrie, ons op korten afstand volgt, en daar
zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van
haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat
mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor
roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief
van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.
--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich
uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker
nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.
--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn
vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij
werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger
te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen
naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.
--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij
nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen,
wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.
Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek
onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam
het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens
van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter
werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na
de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige
bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht
tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige
palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en
koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbezienboschje ter
linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.
Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand
verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het
Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in
den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne
dankbaarheid geuit.
Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopier deed den kameel nederknielen,
zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.
De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen
eerbiedig en bad.
--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopier haar
onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik
zal u bedienen.
Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen,
maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en
bood hem dien aan.
--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.
Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van
Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige,
dan raadsman van een koning.
Nu voegde Balthasar zich bij hen.
--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het
gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De
bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol
liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.
--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman,
hem een vollen beker aanbiedende.
Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in
gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
ONSTERFELIJKHEID.
De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen
verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der
insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.
--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar
Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?
--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.
--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo
spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg
is, dan die over Rabbath Ammon?
--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook
vermoeiender.
--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den
laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde
ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang
verwacht hebt, staat te komen.
--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur
verbaasd.
--Juist.
--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?
--Niets, behalve die woorden van mijn droom.
--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 | 26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32