Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 | 28 |
29 |
30 |
31 |
32
Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan
en zeide: De koning komt.
Esther zag verwonderd op.
--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo
druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt
morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.
Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras
bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier
heb ik zijn belofte. Luister!
Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den
rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen
in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen
persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk!
Kom, Esther, geef mij een kus!
Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare
oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs
geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een
eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf
lief, of hebt gij Rome nog liever?
Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan,
dochter van Simonides?
Esther begon bevend: Hij is mijn....
Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in:
mijn vaders vriend.
--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten
mij.
Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar
schouder: Ik ga ze halen!
Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en
gekwetste liefde.
Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare
zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar
vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was
haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid
getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was,
nam zij blijmoedig hare taak weer op.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
BEN-HURS MEDELIJDEN.
Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote
zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat
de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar
bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een
volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet
gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u,
lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel,
al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.
--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder,
en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit
Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.
--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem
gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in
moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat
hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.
Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij
keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!
De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog
niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.
--Gods wil geschiede! zeide hij treurig.
Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester
trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan
mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den
Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen.
Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn
vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den
beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft,
gij, Balthasar, of Simonides.
Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen
zien?
--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij
niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van
Salomo te gaan.
--Kunt gij ons begeleiden?
--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.
--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?
--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den
minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of
zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder
om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en
vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij
de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend.
Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen
aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?
--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.
--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de
macht om zoo iets te doen.
--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?
--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.
--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo
vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn.
Is hij werkelijk zoo arm?
--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer
de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem
zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zoo
groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol
overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.
--Hebt gij hem dat zien doen?
--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog
wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote
genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed
behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende
is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond.
Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij
raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij
een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik
zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?
Simonides kon geen woorden vinden.
--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms
ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien
doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen
kan: de melaatschheid.
Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.
--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik
nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot
hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde
de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil,
word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij
allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor
hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij
en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.
--En waren zij beter?
--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen
geweken.
--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides
zacht.
Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen.
Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.
--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt
hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog
grooter worden. Mijne Galileers begonnen langzamerhand ongeduldig te
worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets
liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig,
want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met
geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij
hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort:
rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt
u daarvan, Simonides?
Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:
--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld
oefenen.
--Zoo zij het, beaamde Balthasar.
--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen.
Wij waren op weg naar Nain. Vlak bij de poort kwamen wij een
begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te
laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij
door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan.
De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode:
Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.
--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.
--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u
nog meer verhalen. In Bethanie was een van zijne vrienden gestorven,
Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de
Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen
het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem
hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik
gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en
tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener,
en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn
gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne
ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij
er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat
moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?
De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na
middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te
bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der
profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en
Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de
Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning,
waarvoor de laatste hem hield.
--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze
woorden nam Ben-Hur afscheid.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
EEN BLIJDE TIJDING.
Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met
haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen,
daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij
de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men
zich tevreden.
Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De
donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de
tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor
de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam
zij aan Gethsemane, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanie,
vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben,
maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen
schenen te begeven.
Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten
voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de
ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef
zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit
aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het
hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat
geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden,
neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken.
Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen,
de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was
zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige
vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen
onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen voor alle
anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de
waterkruik neer te zetten.
Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde
zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk
en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders
huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag
onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den
Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu
vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed
als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was
niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de
streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was
niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne
grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de
berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden
en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle
opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te
waarschuwen.
Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij
plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah.
In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij
regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en
deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan,
en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres
en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed.
Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen
zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt
ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu
zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal
ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen
verloren!
--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog
dieper buigende.
--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet
reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog
hadden, moet ontnemen? vraagde zij.
Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de
opening der spelonk.
--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg
blind.
Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb
niets misdaan. Ik breng u goede tijding!
--Van Juda?
--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt
slechts een woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden
levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.
--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.
--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep
bedoelde, zoo waar de God van Israel leeft, ik spreek de waarheid. Kom
maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn
weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.
De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande
hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend
geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?
--Juda vertelde het gisterenavond.
--Is Juda dan thuis?
--Ja.
--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?
--Neen; hij denkt dat gij dood zijt.
--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide
de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe
weet Juda dat deze man die macht bezit?
--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem
roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het een
melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.
De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij
geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn.
Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat
er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik
niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet
anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met
Amrah meegaan.
Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu
stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de
Nazarener van Bethanie moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar
Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de
derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van
elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te
loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.
Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfage te gaan, om
zich verder door de omstandigheden te laten leiden.
Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven
even staan om te rusten.
--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk
worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der
Ergernis te gaan.
Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer
gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.
--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.
--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar
komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als
wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.
Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te
bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had
zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar
Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het
is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.
De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven
om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met
zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het
zonlicht schitterden.
--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden
beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog
wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk
zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar
wacht Juda ons!
Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah
al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch
bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht
geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.
--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.
--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij
niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?
--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.
De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te
verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo
nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van
grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar
aankomen.
--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan
waar de Nazarener op 't oogenblik is.
Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling
af.
--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten
maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.
--Wij zullen zien, luidde het antwoord.
Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen
als zij te wachten hadden.
De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de
wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het
bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein!
hooren. Tot hare verbazing liep hij door.
Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.
--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u
gewaarschuwd.
Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts een woord behoeft te
spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.
--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?
--Den beloofden Messias.
--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?
--Ja. Hij is nu te Bethfage.
--Langs welken weg zal hij komen?
--Langs dezen.
De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.
--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.
--Voor den Zoon van God! antwoordde zij.
--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij
beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij
nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga
naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u
en de uwen!
Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij
zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!
Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.
--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.
--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal
staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen,
en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte
aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.
Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats
van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.
--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.
--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons
dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende
reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!
Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar
zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij
zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel
Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
GENEZEN.
Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich
naar Bethfage spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote
schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen,
dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone
schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd
gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen
kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen
voor ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn
zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de
twee groepen hier op dit punt samentroffen.
--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.
Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide
zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener
riepen?
--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.
--Dat alleen?
--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.
--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.
--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag
weggaan.
Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht
waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man,
die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij
was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit
en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het
gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te
verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden
een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare
achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den
melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.
--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en
knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich
terstond bij haar.
Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met
hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids!
Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste
hemelen!
De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over,
zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen
ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging
deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten
varen.
--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de
moeder.
Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog,
en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door
ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond,
zonk van zwakte en angst ineen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 | 28 |
29 |
30 |
31 |
32