Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 | 29 |
30 |
31 |
32
--Melaatschen! Melaatschen!
--Steenig ze!
--Sla ze dood! die van God vervloekten!
Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die
te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in
de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk
mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou,
en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem
in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden
glimlach.
--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons
reinigen. Erbarm u over ons!
--Gelooft gij, dat ik dat doen kan?
--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij
zijt de Messias!
--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.
Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, een
oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank
overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de
Zone Davids!
Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok
hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar
hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.
Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den
berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd
het wonder in de melaatschen gewrocht.
Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen
stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een
onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd.
Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de
verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij
van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest
herleven, nameloos geluk doortrilde haar.
Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals
wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die
zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet
verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij
was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen
der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving,
en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke
genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem
verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot
de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij
den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder,
om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.
Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding
toe, Galileers, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen
droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee
paarden.
--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal
mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.
Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de
twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde,
als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij
toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het
gelaat in de handen verborgen.
--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe.
Amrah! wat doet gij hier?
Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieen, verblind
door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.
--O, meester, hoe goed is God!
Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de
eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij
keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het
was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.
De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met
gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De
verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne
verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was
het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen
die vrouw en zijne moeder? Zoo had zij er uitgezien op dien morgen, toen
de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar
te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke
het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.
En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder
dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden
reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij
betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen
voor de toekomst weggevallen.
Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg
mij toch of ik goed zie!
--Ja, ja, spreek maar tot haar!
Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet:
Moeder, beste moeder, hier ben ik!
In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd,
en omhelsden elkander innig.
Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons
God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem,
die ons dit geluk bereidt.
Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm
rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.
Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?
--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een
plicht te vervullen.
Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare
geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar
hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den
Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda
te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich
gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was
de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en
bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar
het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging
om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
ONGEDULD.
Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee
tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht
hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van
volkomen herstel zouden gekregen hebben.
Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein
geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe
gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden
in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder
het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot
kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds
grooter.
In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van
de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea
verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de
wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door
zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering
van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand
boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de
oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israel tegen Rome iets
zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen,
keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde
opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israel! Ik ben de van God
beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de
profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de
wereld aan uwe voeten!
Als de Nazarener zoo optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden
de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener
het doen?
In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige
natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid,
dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In
het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot
genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht
groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot een
geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou
niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest
was.
Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha,
voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke
verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de
vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks
meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam
dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der
Middellandsche zee, Indie, de noordelijke provincien van Europa ... toen
hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een
taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch
allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem
op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij
misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles
hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke
taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood
was veel geschikter, dan toen de Galileers hem bij het meer Genesareth
met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar
duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne
roepstem gehoor geven.
Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de
Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke
zelfverloochening staatkundige plannen verborg.
Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan
de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem
vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.
Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van
de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat
het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat
iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem
en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de
stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar
bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De
zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor
onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo
dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou
gebruiken.
Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den
avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en
reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren.
Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij
voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de
weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond voor het feest en het
volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten,
wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht
werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het
heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het voor de verwoesting was.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
ONTMASKERD.
Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de
hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging
hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis
bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de
beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen,
om ook iets van het feest te zien.
Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur
weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.
Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had
Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar
zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te
gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem
onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet
koeler kunnen ontvangen.
--Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank
zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de
gelegenheid zijn dat te doen.
Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te
wenden.
--Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na
afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te
bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken
geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van
ons den krans moet hebben?
Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur
luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet
een man haar daarin ter wille zijn.
--Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van
Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien
men onlangs zulke groote verwachtingen had?
Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.
--Heeft hij Rome al omvergeworpen?
Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij
zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt,
het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden
huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en een
woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts
verlangen kan.
Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De
vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk.
Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog
een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.
Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik
u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van
Indie, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch
satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van
goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van
kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon
had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd
zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.
--De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve
vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het
beter te maken.
Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met
haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden
koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich
op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem
begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was
een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke
verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een
statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik
zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van
Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te
zien!
Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen
luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.
--In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een
gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een
ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der
wereld! Hahaha!
In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen.
Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne
plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot
mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante
vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat
nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden
voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van
den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne
proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het
machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning
wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn
mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.
Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht,
hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.
Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede
niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk
niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?
--Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan
gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter
een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt,
geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna
kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit
ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen
toon wilt aanslaan.
Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen
zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen
koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!
--Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak
bij was, riep zij hem terug.
--Nog een woord.
Hij bleef staan, en zag om.
--Bedenk dat ik alles van u weet.
--Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.
Zij zag hem aan met verstrooiden blik.
--Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche
broederen.
--Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij
onverschillig.
--De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.
--Is dat alles wat gij van mij weet?
--De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen
brengen u te redden.
--Mij te redden?
Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk
innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot
voorzichtigheid.
--Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het
paleis Idernee, zeide zij langzaam.
Ben-Hur ontstelde.
--Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het
praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder
zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den
Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles
voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne
bondgenoten.
Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond.
Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen?
Aha! gij verschiet van kleur?
Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een
man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong
voor zich ziet.
Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen
Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste
man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de
visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald
worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige
voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het
Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te
verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en
heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geevenaard?
Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en
zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt
gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren
bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden;
doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en
ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij
daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de
wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij
mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! een antwoord zijt
gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld?
Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader
den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft
gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?
Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van
Iras' gelaat werd zachter.
--In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van
veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in
stukken sloegen, om ze daarna tot een geheel samen te voegen. Ziet gij
niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren?
Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat
vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte
van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet
wat ik doen zal.
--Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij
wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.
--Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen
vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader
een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden
eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting
tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van
nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....
--Welnu? van wien?
--Van den zoon van Hur zelf.
--Heeft niemand anders er toe bijgedragen?
--Neen, niemand.
Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe
mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te
laten wachten. Vaarwel!
Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij
den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en
wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver
de hand naar hem uit.
--Blijf! zeide zij.
Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep
uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.
--Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn
erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk,
dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen
zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote
wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de
woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen
wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!
Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien;
zelden had hij haar zoo schoon gezien.
--Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een
knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren
later zaagt gij hem in den circus te Antiochie.
--Messala!
--Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven
en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld
terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes
talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend
blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen
met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als
hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood.
Red hem, ach, red hem!
Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken
te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten
opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem,
alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de
oude trotsche, overmoedige uitdrukking.
--Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein
veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit
verzoek?
--Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.
--Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in
het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord
ter wille van de waarheid!
--O, begon zij, hij is....
--Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een
Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal
worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem
mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen
hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed
nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer
eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het
kort.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 | 29 |
30 |
31 |
32