A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.

De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De
koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!

Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig:
Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!

Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele
onverschilligheid rechts noch links ziende.

Toen kwam de Nazarener.

Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken.
Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen.
Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een
kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit
de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren
saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen,
bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood
veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der
terechtstelling.

Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen
naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die
niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem
met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen
mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op,
totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te
wachten.

Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich
te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos
achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!

Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde
hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder
afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij
aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen
toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.

--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling
opwakend.

--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.

--Wat! Zijn zij u afgevallen?

--Op deze twee na.

--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.

Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak.
Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund
in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd
haar voorgoed de bodem ingedrukt.

Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.

--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileers.

--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.

Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar
rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in
lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.

--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.

--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd.
Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar
heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor
het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een
bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want
ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israel. Kon ik maar opstaan en
hem navolgen!

Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst
gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had
laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er
van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van
Jeruzalem aan.

Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie
zijn dat?

Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd
volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en
vriendelijk uiterlijk.

Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het
meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van
den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.

Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit
het gezicht verdwenen waren.

--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.

Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling:
de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van
den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende,
armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan
dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een
gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij
meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende
dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth,
de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van
zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder
voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp
te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij
had de Galileers beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog
moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar!
Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de
Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israel te wapen vliegen en de kamp om
Israels vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep,
de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van
Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?

Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje
Galileers. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.

--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.

Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij
tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt
ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den
koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij
u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen,
en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in
de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid
sterft met hem.

Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.

--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.

Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet
wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en
heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn
intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israel
bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en
weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en
Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda.
Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de
vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij
ons op den kruisheuvel allen rondom u.

Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den
vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders
geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door
God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte
een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem,
hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want
toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig
was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk
geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke
verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond
daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor
zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen
zijn wil en een hoogere macht.

--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.

Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast
hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans
ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.


* * * * *


TIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE.


Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor,
om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich
een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin
langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een
slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan.
In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot
verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn.
Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen,
die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.

Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban,
die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich
overzien.

De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er
dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele
armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet
door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het
verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd
voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens
der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het
gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde,
in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder
menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet
voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor
hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen
sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij,
die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou
gaan.

Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar,
trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders
oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een
der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als
schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van
alle zijden.

Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of
uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats.
Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het
beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht
kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste
lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen
verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen
was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het
aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem
eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals
niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en
leven.

--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op
den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij
antwoordde: Ik!

Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit
gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan
alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en
een vaste overtuiging.

Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op
den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige
werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren
reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.

Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den
hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven
zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.

Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar
hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den
hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede
waren de voorbereidingen afgeloopen.

De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.

--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij.
De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.

De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit
oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk
schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond.
Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het
kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem
te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de
ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht
plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.

--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.

Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok
haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind,
kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de
onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.

Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze
God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israel verloren, en zijn wij
allen verloren.

Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft
vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het.
Laat ons stil zijn en bidden.

Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als
vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken
had.

Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den
veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog.
Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd
hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den
dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door
de handpalmen gedreven. De knieen werden opgetrokken, totdat de
voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen
gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen.
Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden
van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen
woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of
dat een vriend moest bejammeren.

--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.

--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters.
Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.

De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het
in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het
overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam
van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog
uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen:
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp
tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden
lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het
aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot
vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij
koning der Joden!

De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen,
verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus
moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo
schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden
eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij
liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En
tot den discipel: Zie uwe moeder.

Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en
een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte
en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en
kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen
wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde
den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan
hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon
van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte
en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem
en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs
een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien
gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!

De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden,
om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar:
Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben;
maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd,
maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot
den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.

Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was
het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls
over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.

--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet
van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn
koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom
hoorde.

--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de
Nazarener daar op.

Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning:
Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het
paradijs!

Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen
vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De
nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs,
zooals Balthasar.

De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn
verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het
doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht,
niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw
leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs
heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd
had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.

Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij
hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den
Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die
bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een
misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch
zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was
dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de
vlucht te jagen.

De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens
groot en klein, straalden in ongeevenaarden glans. Eensklaps werd de
lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en
trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander
vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de
zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde
verschijnsel.

--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide
Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.

Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of
voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en
heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer
het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig
de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!

Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieen lag,
en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij
alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.

Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem
als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem
eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik
met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!

--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!

De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig
duister.

--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male.
God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er
nog verder gebeuren zal.

Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele
menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem
tot dichter bij het kruis zouden volgen.

De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak.
Gedurig zagen zij naar dien eenen kruiseling--een bijgeloovige vrees
beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen
geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe
aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de
sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen
schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich
uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet
een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar
geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar
geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar
in het diepst hunner ziel met den Nazarener.

Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen
enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend
durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was,
wat dan?

Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther
zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet
te hinderen.

--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij.
Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van
zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer
openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.

Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener
werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu
reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles
stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij
de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van
het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom
hebt Gij mij verlaten?

De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Een vooral sneed zij door
de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water.
Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een
lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der
ongelukkigen bevochtigen.

Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde
hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze:
Mij dorst!

Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij
behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en
snelde naar het kruis.

--Houd op! riepen de omstanders. Houd op!

Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen
van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien.
Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De
oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar
in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat
het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!

Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een
juichtoon op de lippen.

Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op
de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de
scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden
deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.

Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet
ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven,
afgeloopen.

Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is
gedaan, hij is dood.

In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had
zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan.
Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden
begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te
blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder
te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste
kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht
verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den
Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met
den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen,
ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof
hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich,
als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest
maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te
paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij
vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van
den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het
bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en
gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden
van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de
vreemdeling, priester, leek, Sadduceer en Farizeer, allen tuimelden over
en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde
in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den
Nazarener was over hen allen gekomen!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.