Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 | 4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32
--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op
veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.
In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede
en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden.
Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den
hoofdman aan de poort gericht?
--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?
--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede
Koning der Joden?
Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.
Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof
een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne
onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.
Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij
met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?
--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.
--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is
men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang
in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals
vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene
weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben,
zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen
en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den
Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht
zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst
hoe gijlieden, door zeeen en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne
geboorte gehoord hebt.
--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.
--Spreek, zeide Herodes.
Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.
Herodes ontstelde zichtbaar.
--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat
wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en
aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de
plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o
Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!
Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong
zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander.
Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat
wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen
Koning?
De verlossing der menschen.
--Van wat?
--Van zonde.
--Hoe?
--Door Geloof, Liefde en Goede Werken.
--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat een trek op zijn gelaat
verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den
Messias. Is dat alles?
Balthasar boog toestemmend.
Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de
geschenken, beval de vorst.
De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers
knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke
geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.
--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het
Oosten hebt gezien.
--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.
--Wanneer ongeveer?
--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.
Herodes stond op, ten teeken dat de audientie was afgeloopen. Van zijnen
troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen,
hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren
Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd
heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in
Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en
zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt,
komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede
en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning
hen alleen.
Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de
drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol
geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons
geraden heeft.
--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.
--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.
Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen
zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken.
Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen,
dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den
hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte
hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien
glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet
onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het
firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen
en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij
herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef
staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de
nabijheid der stad.
* * * * *
ELFDE HOOFDSTUK.
HET KINDEKE.
Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds
flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog
nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem
luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven,
toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde.
Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg,
daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en
helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat
vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten
ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn
schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat
de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun
aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne
oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.
Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er
door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil
bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te
midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg,
stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de
deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun
verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In
dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het
vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om
den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij
zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de
hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?
Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit
is slechts de herberg, de stad ligt verder.
--Is hier niet een pasgeboren kind?
De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden
toch: Ja, ja.
--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.
--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster
gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om
hem te aanbidden.
De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast
u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle
menschen!
De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de
vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht
werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de
ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen
mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster
omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit
het gezicht te verdwijnen.
Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen,
dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond,
waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar
eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een
lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te
wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.
--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.
En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en
overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en
zeide: Dat is mijn zoon.
En zij vielen op de knieen en aanbaden hem.
Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen
stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden
zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne
gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep;
integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het
staarde met alle aandacht naar de vlam.
Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen
naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en
wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de
Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te
twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen,
gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij
behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn,
dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het
teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de
herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.
* * * * *
BOEK II.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
ROME EN JUDEA.
Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan
in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken
gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door
velerlei staatkundige twisten.
Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke
gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het
misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid
beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie
te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk
verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en
Archelaues, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat
testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die
dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen eene--hij weigerde
Archelaues den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne
bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf
hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar
geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar
Gallie verbannen.
De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op
een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een
Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrie gevoegd. In
plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den
berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den
tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog
grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea
verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken
was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd
toegevoegd om te zamen eene provincie te vormen.
Een troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de
hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans
de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak
van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den
procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten
van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond
door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het
volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit,
dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid
herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de
stammen regeerde door de zonen van Aaeron; het strekte hun ten teeken dat
God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst
van den zoon uit Judea's stam, die over Israel heerschen zou.
Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche
rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn
trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar
eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich
zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken
hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn
eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester
Annas, en de verheffing van Ismael, den zoon van Fabus. Deze daad,
hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte
groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een
uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er
toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.
In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die
des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaues,
en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer
dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw.
Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen
belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het
volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaues viel sleepte hij
Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester
gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere
bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den
ongelukkigen Archelaues had de partij der edelen raadzaam geacht zich met
Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een
Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij,
en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen
verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het
keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.
In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan
de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den
tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw
gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch
garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de
poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide
rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid
toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei
wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.
Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat geen
trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld.
Zoodra Ismael in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan,
verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde
zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld
had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaels
verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te
Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten,
zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar
den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst:
een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds
aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer
aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht
achter een voorbeeld te stellen.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
MESSALA EN JUDA.
Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer
verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis
op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is
aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen
voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de
wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld
er zijn voordeel mede te doen.
De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken,
sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling.
In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste
omgeving koel houdt.
Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien
jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men
hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen,
beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een
ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn
lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne,
grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een
zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het
spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn
mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste
geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel
duiden?
In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote
tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen
Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus,
keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde
zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het
Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend
als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij
met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij
zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er
niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking
gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.
De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn
wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in
den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen.
Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den
Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en
aanvallig.
--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de
jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg,
in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.
--Ja, morgen, antwoordde Messala.
--Wie heeft het u verteld?
--Ik heb het Ismael, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt
hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen.
Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of
zelfs een Idumeer het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een
hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst
in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden
oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon
gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen
wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.
Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.
--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin
afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods
vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden
u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?
--Vijf jaar, antwoordde de ander.
--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De
goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de
Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met een
Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den
keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de
komst van den procurator?
Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf
jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar
Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn
voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en
vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde
ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.
--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele
lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum,
een weinig oefening in de kunst der mysterien, en Delphi zal in u Apollo
zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de
Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor
gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Een gezegde herinner
ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem
antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.
Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden
blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed
gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote
gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn
vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld
zou hij zijn vriend gegriefd hebben.
De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd
trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat
dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?
De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver
aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge
niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai
niet in een adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne
leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen
vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israel; en de
vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking
heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het
bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen,
dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen
een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die
Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een
Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte
ging. Ismael is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn,
zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de
Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben
naar onze wetten. Zijn--
Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp
ik u. Ismael is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeer eer
gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt
gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde
veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor-
of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk,
ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het
leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier,
Izaaek en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den
dondergod! de cirkel is nog te groot. Ik zal een nieuwen trekken.
Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de
uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de
tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er
buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten
misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt.
Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is
zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt
het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog
verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande
gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade
duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding
van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars
afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon,
Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren
dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?
De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.
--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand
naar hem uitstrekkende.
Pages:
1 |
2 |
3 | 4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32