A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



--Gij bespot mij.

--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar,
dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen
verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien
ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les,
ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros
zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles.
Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding.
Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag
ik, want wat kunt gij worden?

Juda zweeg.

--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar
den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een
leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van
overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De
zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede
wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te
voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden
heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.

Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een
veldtocht naar Scythie, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne
loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een
vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat
wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen,
spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het
gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige
prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrie! Judea
is rijk; Antiochie een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van
Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.

Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk
toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in
de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en
zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat
hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene
oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken.
Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen,
weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke
gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste
moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen:
Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne
toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.

De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid
niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een
parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het
geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men,
dat zij een gouden haak aan haar hengel had.

--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?

--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik
prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.

Juda wendde zich toornig af.

--Ga niet heen, bad Messala.

De ander bleef besluiteloos staan.

--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending
aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.

Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan.
Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--

--Een Romein, vulde Messala aan.

Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging
hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn
schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij
zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel,
zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op
uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?

Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te
zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda
onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.

--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te
spreken.

Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig.
Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet
kunnen verbeteren.

--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een
Sadduceer zijt. De Esseers, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij
gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de
weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn
weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de
hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar
knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half
razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen?
Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen?
En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere
Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?

Juda vertraagde zijnen stap.

--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen
het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven,
Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom
zijn.

Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer
aanhangers behalve de Esseers. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.

--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots,
die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van
den God van Israel.

--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geergerd
hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er
waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik
niet.

Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof
dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral
omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone
Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar
kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij
mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel
stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?

Juda gaf geen antwoord.

--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun
leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baaels, Jupiters en
Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij een grooten naam,
onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten,
of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet
toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het
tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet
diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken.
Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeen? Hoe met den eersten en
tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even
bereidwillig om u te helpen, als den Idumeer Antipater.

De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond
versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome,
Rome, mompelde hij.

--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de
overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed
om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat
Rome wil, dat het zijn zal.

Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala
aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein
zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israeliet ben. Gij hebt
mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de
vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden
wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!

Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De
Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de
woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!


* * * * *


DERDE HOOFDSTUK.

JUDA THUIS.


Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat
hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem
was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van
steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang
voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie
zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken,
terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die
af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken,
die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien,
ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde
duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden
gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort
toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof
herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden
door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes
ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels
voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de
bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat
rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van
deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.

In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas
door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te
zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij
binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen,
totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam
noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt,
zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?

--Neen.

--Zijt gij ziek?

--Ik heb slaap.

--Uwe moeder heeft naar u gevraagd.

--Waar is zij?

--In het zomerhuisje op het dak.

Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.

--Wat zal ik u brengen?

--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles
onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van
morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en
mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat
te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij
noodig oordeelt.

Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige
verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd,
en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje
later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een
kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en
zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het
blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.

Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van
uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de
oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren
stand in de maatschappij.

Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar
niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet
begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar
leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar
geluk.

Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u
Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?

--Zeker.

--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben
van middag bij hem geweest.

Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk
dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit
van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.

Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend
vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te
doen hebben.

Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het
platte dak.

In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden
gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in
de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang
neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner
woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats,
bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het
inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de
meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te
richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven
hoever dat streven eindelijk ging.

Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek
van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was
er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren
aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een
van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan.
Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en
riep: Juda, mijn zoon!

--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder,
terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.


* * * * *


VIERDE HOOFDSTUK.

JUDA'S MOEDER.


De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den
grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de
opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen
heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.

--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide
zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door
kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij
niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.

Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende;
maar die bij enkele aanzienlijke familien in eere gehouden werd, om het
onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal,
waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.

Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep
hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder,
vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit
gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?

--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.

Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op
ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder.
Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.

Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag
niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe
zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon
blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal
mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht
ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet
mij helpen. U kent de wet--ieder Israeliet moet een bepaalden werkkring
hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik
worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag
ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal
het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.

--Gamaliel heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op
peinzenden toon.

--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.

--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van
zijne familie geerfd heeft.

--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in
den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.

Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een
angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder
rusten.

--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?

--Hij is zeer veranderd, moeder.

--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?

--Ja.

--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen:
heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?

--Vijf jaar.

Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.

--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de
manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.

Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren,
hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.

--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de
trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat
hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.

--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan een Romein heeft
goddelijke eerbewijzen als zijn recht geeischt.

--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die
onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen
vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen
worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij
voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en
onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder,
wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat
voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht
ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid
des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als
ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen?
Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag
ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen
bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een
kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk
wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israel niet alles doen wat een
Romein doet?

De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind
door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij
hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar
de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik
verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had
zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede
natuur kan de eerste liefde vergeten.

Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde
hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen
bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?

--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te
beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--

--Neen, moeder, zend mij niet naar hem.

--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.

--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing.
Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel.
Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.

Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide:
Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te
zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen
vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk
genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te
brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere
oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te
verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit
een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek,
en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet
weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts
een consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren,
en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.

Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem
echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan.
Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den
rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen,
behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen,
dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen
meten.

Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar
wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van
hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein
tegenover een Israeliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder
terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar
wij? Hoe staat het met ons?

Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen
zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de
Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet
treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een
wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter
ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van
gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen
naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven,
ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij
dien in het boek der geslachten van Israel: Juda, zoon van Ithamar, uit
het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die
inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds
bestond voor den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat
Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen
geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere
volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te
maken.

Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het
geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel
heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de
belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de
ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal
slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode;
maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft
Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in
staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren
rugwaarts te volgen.

Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed?
Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israels, die op gindsche bergen
de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.

--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?

--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als
Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet
verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriers Jeruzalem
innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik
hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en
waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de
ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan
den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij
lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet
genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de
tweeenzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.

Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda:
Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den
eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen,
als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan
tijd?

--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen
bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn
uitverkoren.

--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht,
van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader
Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?

De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne
bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd
hier geeischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon,
dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen
heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het
duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.