Lewis Wallace - Ben Hur
L >>
Lewis Wallace >> Ben Hur
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN ISRAELITISCHE VROUW.
Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen
hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting,
waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring
gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles.
Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding
den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een
man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn
trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda
teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die
eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om
't hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof!
Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij
tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten,
bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor
het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israeliet
en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyrier en de
Macedonier voor hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is,
zal het einde hetzelfde zijn.
Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natien vaststelt;
daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd
daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak
volbracht, dan sterft het of zijn eigen dood, of door toedoen van een
ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen
schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.
Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te
symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van
de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk
vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een
kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn
tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan
elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen,
in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer,
waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.
Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreen en het volk
der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God
staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven.
Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israel God meermalen heeft vergeten,
terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier
dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft,
als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen
kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar
wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem,
zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd
gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap;
een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land
terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedonier, die de
verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.
Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God
uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren
verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in
den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het
zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch
behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten
gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den
barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke
eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is
Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die
het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en
wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds
toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.
Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen?
Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van
al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet
vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreen en Grieken zochten
de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein,
die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt
noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand
en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid
gemaakt.
De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De
schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk
voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein
bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek
tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken
opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of
zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan
is hij of een leerling van de eene of andere Griekse school, of hij
ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op
oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg.
Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige
bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde
godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs
zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.
Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israel de Grieken hunne
meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de
zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal.
O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de
dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij
afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze
hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen
wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en
Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israels roem zal blijven
stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods
geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinai, hun leidsman door de
woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn
zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde,
niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke
eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden
hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets
het hemelsche zouden weerspiegelen?
Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men
onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft
Israel geen kunstenaars voortgebracht.
Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als
Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeen,
geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig
waaraan het zijn oorsprong te danken had.
--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men
niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod:
Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks
bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin
moet men vergeten, dat twee Israelieten, Bezaliel en Aholiab, de
bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat
zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel
gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn
houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat
de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van
dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog
uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat
er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat
zij niet de eerste statuen geweest zijn?
--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide
Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de
ark;--vloek over de Babyloniers, die haar vernield hebben!
--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren
geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en
Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd,
teruggevonden zal worden. Dan zal Israel evenals vanouds voor het
aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der
cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen
Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens
genie zulk een kunstwerk ontwierp.
De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield
even stil om tot kalmte te komen.
--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter
hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten
Israeliet gemaakt.
--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij
onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.
--Nu ja, maar u legt er het leven in.
--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen
voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te
hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de
kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de
groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen,
volgens hunne nationaliteit; hier de Indier, daar de Egyptenaar, ginds
de Assyrier, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen,
terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars
geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg;
en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij
hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken
straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring!
Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreen! Klopt uw
hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest
gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden!
Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al
ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!
Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als
hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de
vrouwen, die haar volgden.
--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt
gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen
Israels aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen
zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.
Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten
hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte?
Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet
verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in
haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever,
profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den
eersten en edelsten der Cesars.
Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isai, een held
in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn
zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder,
mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de
laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem
uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken
naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den
Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen,
mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst
schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne
nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen
gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie
den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia!
Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem,
die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn
zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van
den Messias!
Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen
getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover
Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de
Makkabeen; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus
tegenover Salomo,--welk een vergelijking!
Zij lachte verachtelijk.
--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde
tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de
ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden.
Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods
waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen
wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren
gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon,
dien de Heer, den God van Israel, niet Rome. Voor een zoon van Abraham
bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen
is.
--Mag ik dus soldaat worden?
--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?
Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn
toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer
zult dienen.
Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten,
ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete
sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het
hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het
vertrek.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
HET ONGELUK.
Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven
fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der
borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels,
badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar
daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een
bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en
zong daarbij met zachte, welluidende stem.
Toen zij haar lied geeindigd had liet zij de handen in den schoot rusten
en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij
willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers
voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande
Juda's ouders.
Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van
vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat
menig Israeliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof
het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte
lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda,
dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene
onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte
landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen,
met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking
brachten.
De vader van Juda was een dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds
gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij
toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal
had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen
met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer
Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen.
Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals
purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk
van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk
een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen
aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken
verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot een ambt te
bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van
herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden
weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden
stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit
Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend
werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten
terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig
Hebreer, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker
van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het
verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die
hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig.
Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de
Pharizeen beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne
tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven,
dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn;
maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken
leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne
weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij
zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder
wekte.
Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even
regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van
kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege
morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op
den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar
losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel.
Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden
oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig
bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen
waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen
haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde
lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza
ongetwijfeld.
--Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.
--Het lied? vraagde zij.
--Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?
--Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het
theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en
zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er
heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het
zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied
gegeven.
--Maar hij zong in het Grieksch.
--En ik in 't Hebreeuwsch.
--Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van
die liedjes?
--Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat
zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te
komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u
gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het
mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de
geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter
verscheidene Arabische recepten, die--
--Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.
--Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij
zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die,
ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd
door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar
linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten.
Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend
terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet
willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor
geloovige Israelieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.
--Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat.
Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan
drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.
--Ik hecht geen geloof aan amuletten.
Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?
--Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.
--Maar Gamaliel?
--Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.
Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.
--Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.
--Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat
zonder zijne hulp ook zijt.
Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde
oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en
handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeen behoorde was de reiniging
spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan
het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok
naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel
zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De
arbeid stoorde hun gesprek echter niet.
--Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.
Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.
--Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?
Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik
ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader
gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten
van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.
--O, dan ga ik mee.
--Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van
verdriet sterven.
Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij
daarvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een
koopman weten moet.
--Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de
zoon wordt wat de vader was.
--Wat wilt gij dan worden?
--Soldaat.
--De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen!
--Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten
sneuvelen.
Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.
--Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.
--Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.
--Nooit.
Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe
spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza
komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?
Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.
--Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet
men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.
--Gij zult toch niet voor Rome vechten?
--Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het
eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren
hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.
--Wanneer gaat gij?
Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets
merken van mijne plannen.
De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een
stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne
aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.
--Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek
herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde
naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om
beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun
naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt
overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen
overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek
daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want
wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk
trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten
blaasinstrumenten.
Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een
voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en
boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van
groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen
een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna
weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te
zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en
neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten,
de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen
indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne
aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij
wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de
hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting,
maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den
kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in
plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met
zijden franje afgewerkt.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32