A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Author of ‘Conversations With God’ Admits Essay Wasn’t His
Steve Knopper’s stark accounting of the mistakes major record labels have made in the digital era suggests they are largely responsible for their own demise.

Books of The Times: When Labels Fought the Digital, and the Digital Won
Oprah.com, the Web site of “The Oprah Winfrey Show,” has posted a disclaimer acknowledging that Herman Rosenblat admitted he had invented portions of his Holocaust memoir.

Arts, Briefly: Winfrey Web Site Notes Fabricated Memoir
Mr. Seaver defied censorship and conventional literary standards to bring works by rabble-rousing authors like Samuel Beckett, Henry Miller and William Burroughs to American readers.

Lewis Wallace - Ben Hur



L >> Lewis Wallace >> Ben Hur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32



Waar bevonden de zeeroovers zich thans?

Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het
antwoord.

Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij
overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas
verdwenen.

Zoo luidde het bericht.

Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland
Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot
eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan
der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij
moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde;
als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen
bescherming en veiligheid.

De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had
hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook
zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen
wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de
Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te
achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die
omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met
een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.

Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeische zee voor zich
neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen
Azie in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal
tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen
nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot
van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich
genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een
kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen,
dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden
zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en
zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij
zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog
voor den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust
van Euboea meldde.

Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun
verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene
helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de
andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te
varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.

't Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken
als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de
strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook,
niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval
de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug
zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.

Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in
de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet
vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.

Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel,
dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op
een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij
Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele.
Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de
onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij
was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat
verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als
hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het
zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het
traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars
werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens
voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen,
wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.

Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der
zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem
te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening
verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij
nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het
noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte
niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel
der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op
de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder
zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden,
en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat
zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot,
wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.

Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds
noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering
bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.

--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien
slaags raken?

Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee
doorgemaakt, zonder er een gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij
den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was
geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den
slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden
een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der
offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist
hij waaraan zich te houden.

Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een
nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien
wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder
zware diensten van hen zouden vorderen.

Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen
opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken
de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien,
speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond
gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen
ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform
besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield,
begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste
vernedering van zijne dienstbaarheid.

Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien.
Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan
de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten
hadden.

De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat
zou hij niet hebben willen doen, om dat te kunnen ontgaan! Weldra meldde
hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun
misschien voor hem in de bres springen?

Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem
op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een
uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van
den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den
armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn
lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.

Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem
een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die,
na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen.
Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant
uit te zien.

De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen
der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N deg..
60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den
beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte
den hortator.

Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn
oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof
de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van
wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef
hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd
de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij
hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en
glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur!
antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg
ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter
ruste.

Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme
watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform,
de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar
hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal!
Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de
slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding
verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug-
gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die
hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart
misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen
vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn
hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de
bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als
de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en
hoog in reiner sfeer zweefde.

In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering
voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap
naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius
sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild
en ging tot den hoofdman der mariniers.

--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging
verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.


* * * * *


VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ZEESLAG.


Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op
hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek
gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen.
Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld.
Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld.
De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht.
Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste
toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van
netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles
weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.

Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier
werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.

Wat beteekende dat?

Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker
geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht,
plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings
gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik
sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars
--zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten
het lot van hun schip deelen.

Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En
wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren?
De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke
gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.

Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een
geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht.
Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte?
vraagde hij zichzelven.

Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de
galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte
daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers
instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen
den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk,
tot den sprong voorbereidde.

In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon
onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden.
Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De
hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de
uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de
galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren,
geen enkele van voren. Daar vernam men slechts een verward gedruisch van
stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok
voelen, de roeiers voor het platform van den hortator wankelden, sommige
vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met
onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig
doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het
trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur
voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne
makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de
Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot
welke natie, tot welk land behoorden zij?

Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten
kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en
wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er
niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des
vuurs aan toegevoegd worden.

Op eens helde de galei zoo sterk naar eenen kant over, dat de roeiers
slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der
Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote
enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen,
omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.

Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van
achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig
kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip
overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.

De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan
bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd.
Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een
afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar
adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen,
wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.

Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps
echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen,
zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk
leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk
verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen
was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar
beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een
blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een
ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de
Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen
dus op eigen bodem?

Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien
kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd!
Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten
zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis,
vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn
hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn
oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te
bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg,
hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van
den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de
wereld had overwonnen.

Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te
beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het
platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te
doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben,
indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn
leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor
het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten,
hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor
geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch
vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem
geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij
veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon
hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea
te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne
krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak,
hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten!
Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den
tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn
weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de
beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht
niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als
galeislaaf te overleven.

Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven,
nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige
pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte
hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was
geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en
snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.

Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op
den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd
aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij
plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings
op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de
bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven
stroomden naar binnen en verzwolgen allen.

Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon
aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke
sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke
buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de
andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem
voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het
inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven
wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou
zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij
zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het
eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met
alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen
hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk
voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de
oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.

Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans
waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.

De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en
daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende
schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan
zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het
Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke
vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was
echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op
het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee
galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de
diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de
oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend
in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander
onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in
beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de
beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die
hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te
komen.

Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De
hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het
roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een
reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar
als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve
seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.

Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op,
vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen,
die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur
keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens
de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover,
zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook,
maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed
vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van
vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de
ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar
zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.

Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur
alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens
het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid
zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en
ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid
geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere
bevrediging: de Astrea was gewroken.

De strijd was nog niet beeindigd, maar de tegenstand veranderde in
algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne
vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen.
Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg,
waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed.
Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver
verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven
schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken.
Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog
verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of
achtervolgende schepen konden zijn.

Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig
hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij
reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen
met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte,
schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden.
Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns
volks te bidden.


* * * * *


ZESDE HOOFDSTUK.

VRIJ.


Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en
keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige
vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich
alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de
langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne
om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer
spraakzaam.

--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den
strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het
leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook
gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig
is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een
Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat
nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk
een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat
gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een
mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.