A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

M.H. Van Campen - Over literatuur



M >> M.H. Van Campen >> Over literatuur

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29


OVER LITERATUUR

CRITISCH EN DIDACTISCH

door

M. H. VAN CAMPEN


* * * * *


I CRITISCH


* * * * *


BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.7]


I.

Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur aeusserst
wenige, welche ueber _die Dinge selbst_ denken: die uebrigen denken
bloss ueber _Buecher_, ueber das von Andern Gesagte. Sie beduerfen
naemlich, um zu denken, der naehern und staerkern Anregung durch
fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
_die Dinge selbst_ zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.

_Schopenhauer_.


Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idee, welke een mensch kan
hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze--ik vermoed in
Werther-houdingen--met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, voor ik
hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
ben--er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren--voel ik een
ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
onthullingen, 'n chronique ... literaire--haha, dat gaat alweer uw neus
voorbij, m'n waarde lezer!--ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens,
overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
decadent lettre en l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
welke--afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
lichaam experimenteeren!--mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
wapen op mij-zelf te beproeven, voor er mijne slachtoffers mee te
kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
--bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zoo'n gezicht!....
Maar wat was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
noopt mij ertoe, want: _indien_ Schopenhauer gelijk heeft--en ik twijfel
daaraan niet!--dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
bepiekeren--want ons geschrijf over boeken, dat is een te magere erfenis
... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...--en de
resultaten daarvan te _boekstaven_, vooral! Eene behoorlijk uitgeplozen
en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
Terwijl de groote schrijvers van dezen tijd, o, dat is niet te zeggen
... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
sterven, dat aan hun "eelste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht--'t geen in de
jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild--en pondsgewijze
waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf
af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
Want _by Jove_, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
paragraaf. Dat is ordelijker.

De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
uitstekend artikel in _Elzeviers' Maandschrift_ te schrijven over Frans
Coenen's _Charles Dickens en de Romantiek._ Betreurenswaardig: want waar
blijf ik nou, met al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons--gelijk het Dickens deed
in zijn tijd--; het draagt ons, wij leven eruit, wij leven
ermede--gelijk Dickens in zijn tijd--; het rukt onze werken uit de
handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lezen, te
lezen--gelijk bij Dickens in zijn tijd--; daar zit ik nu, onder mijn
medegelukkigen ... laat mij dien armen klassieke, die bijna niet meer
gelezen wordt--is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?--eens een beetje in de hoogte
werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
gedaan, en laat mij 't doen naar aanleiding van diens werkje. Dan kan ik
ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
sla ik _Elsevier_ open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
Robbers....

Maar kom! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang--weg nu met die
verduivelde scherts--sarcasme _is_ verduivelde scherts--en in ernst: de
heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
Robbers eersten stoot:

Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
loupe in de hand, zijn opgetogenheid over details, zoowel als zijn
misprijzen--op delikaten schertstoon--van de brute ruwheid der
hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....

Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)

Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
genomen had--zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
is daar de toon.

Derde stoot:

Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
--en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"--moeten worden
gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
verschijnende, dure [p.11] geillustreerde en luxe-edities, voor
genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!

De ironie is dubbel en dwars verdiend....

Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
vogels--die van de meesten onzer, moderne kunstenaars--die we zagen
zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs veel....

Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:

.... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12]
worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.

En later:

Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
althans, bijkans verlaten mijn.

Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
gestreden, en mij getooid--laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:

Alle Schuld raecht sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
Scharten's _Krachten der Toekomst_ besprekend, het sterk in deze prees,
dat hij een _keur_ zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
materieel voordeel belust is," alles gebundeld had--de heer Coenen werd
thans door het wrekend Noodlot met dit eene uit zijne honderdtallen
kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren--of
dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
gelezen wordenden" Dickens?"

[p.13] Maar ik zou geen mensch moeten zijn, die altijd door het noodlot
tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzocht, dat niet lekker
te weigeren! Ik stel de vraag dus _niet_, doch alleen haar mogelijkheid,
om even te laten gevoelen, dat het maken van _on_heusche gissingen
alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
goed achtend, dit boek iets _beters_ geacht. Maar hier mag dan toch weer
de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, _als bij de
Multatuliaansche Gnomen, _ en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het ware, blijde
leven.... Hij gaf zijn ziel, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
heeft recht op uw _ziels_weerzin, op uw _ziels_liefde.... De kleine
afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
gevoel zijn veel te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan _niet_.... En hiermede ben ik
meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
_ontleedbaar_, maar _meetbaar_. Straks beschik ik over den maatstaf,
daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
de voortreffelijke _Inleiding_, waarin de schrijver den kultuurstroom
van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat
hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
schrijven, _zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
gevormd verstand_, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
weinig diepgaande historische kennis--daar is waarlijk makkelijk genoeg
aan te komen--maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
den autodidact; den _gedisciplineerden_ geest, in tegenstelling met den
_ongedisciplineerden_. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
_niet breeden_, maar _fijnen_ psychologischen doorgronder en preciesen
weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
waarin Dickens leefde en beroemd werd:

Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
burgers, die carriere willen maken en voor alles op godsdienst en
fatsoen gesteld zijn.

Ook in het tweede hoofdstuk _Dickens' Jeugd_ zal de lezer dezelfde
eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
derde, _De Pickwickpapers_, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong
vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk _Dickens'
Romanfiguren_ bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
volgende:

Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
Dickens menschen gemaakt.

Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk--meest een zeer goed
geobserveerd en realistisch uiterlijk--van menschen." Deze verklaring
acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?

Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
geheel.

Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk _Dickens'
Ontwikkeling en latere Romans_ is vooral interessant het aangeven der
tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de
fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:

Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo _realistisch _ waar
maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
de feeenwereld of van de Londensche straat.

Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
meer of minder zegt,--in strijd met andere zijner uitingen--dan dat
Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt _Dickens'
Beteekenis voor ons_. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
daarover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit--als het verheerlijkende
slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
_overzicht_-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat
hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
voortreffelijk vindt geillustreerd: In de Fortnightly Review van 1
dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
Galsworthy: _Vague Thoughts on Art_. Ik moet U de lezing ten sterkste
aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
wijsgeerig deel volstaan.

Art is that imaginative expression of human energy which through
technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
the individual with the universal, by exciting in him impersonal
emotion.

Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:

If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
unhaunted by any definite practical thought or impulse--to that
extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
put itself there instead, has linked me to the universal by making
me forget the individual in me....

En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, deze is het nu juist,
welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
lezer aan zich-zelf ontrukt, boven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_,
en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het
is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_
zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant
zoo gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu,
geen twintig duizend woorden, maar slechts een zin, waarin uw innigst
doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_
springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_,
d.w.z. zij is door u _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K.
Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over
een grootere schrijft.

Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk
verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations
and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het
zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen.
Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.