Stijn Streuvels - Dagen
S >>
Stijn Streuvels >> Dagen
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 DAGEN
door
STIJN STREUVELS
* * * * *
INHOUD
De kalfkoe
Naar buiten
Sint-Jan
Sint-Josef
Vrede
Verovering
* * * * *
DE KALFKOE
De schoone, lange zomerdagen waren uit. De laatste sloepten trage naar
hun stille dood en dan hingen er alleen nog wat wasems mist in vroege
en late deemstering over 't land. De kranke zon kwam met den noen even
bovenpiepen, schreef een rondekring, een steenworp hooge maar, door de
lucht om varings weer weg te vallen onder d'eerde.
De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en
onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de
wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands
de zwartigheid overal op en heerschte de oneindige nacht en de dood.
De landlieden en herkenden hunne wegen niet meer, zij bleven nu diepe in
hunne huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef: of er bij den
verren buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar de
leemen wanden en doken achter dichtgeslotene deuren en vensters, het
schrale pinkje licht en 't warmend koolken vuur. De vijzelende koude
wilde overal binnen en de groote nacht gaf geen hope van uitkomst of
van nakende helderheid; de zonne was nu dood, voorgoed.
Doka lag wel en warm onder hare dekens alleen in den diepen polk achter
't berdelen beschot op de vaute en ze dacht: hoe gelukkig de menschen
die een goed bedde hebben en dekens als 't buiten onbermhertig wintert.
Er waarde in heur hoofd een konkelfoezige wereld van oude zomerdroomen
uit den goeden tijd van uitgaande gouden dagen, met de warmte van den
laten avond in de lucht, zonder ziekelijkheid en pijn van stijve leden
of kwellende verkoudheid en lastigen asemgang, in de blijde
angstkrasseling van het rijke zamelwerk der late vruchten op 't veld en
al 't genoegelijke van 't gewonnen goed daarbij om lange van te leven in
den dooden tijd. Maar daar keek almedeen de koe, de groote, witte koe te
midden in dien droomwinkel en een angstgevoel dreef al die goede warmte
weg, zoodat Doka wakker en in de droevige werkelijkheid van haar oud,
arm lijf, weer terecht kwam. Heur herte klopte om de benieuwdheid van
eene langverwachte uitkomst met de duidelijkheid nu in die donkerte om
haar, van den winter en den langen tijd sedert al die goede zomerdingen,
die ze even in het droombedrog nog loopend en bestaande dacht.
Ghielen zat daar eenig in den stal, koude te lijden, de oude, karbintige
Ghielen! Wie had er ook gemeend dat het zoo jammerlijk vreemd met die
koe zou afloopen? In de eerste maanden van de dracht was 't een gerust
en gestadig aftellen van den tijd, met goede verwachting van een gezond
kalf, een zekere uitkomst die op den gestelden dag zou gebeuren, zoo
zeker als de zonne die 's morgens rijst en zonder falen 's avonds
ondergaat. Maar die tijd was nu lang voorbij--negen trage maanden
wachten en die langverbeide dag was een leepe teleurstelling geweest en
de dagen daarna een wrevel die overging, hoe langer hoe meer, in
angstverwachting omdat het achterstallig kalf niet kwam. Daarna waren de
dagen gekeerd, en godweet hoeveel weken daarbij, zonder verandering,
altijd met die belofte, maar zonder uitkomst en met steigende
bejaagdheid en zotte verbazing verliep de tijd nu verder, onmeedoogend
en de koe bleef daar roerloos, onveranderlijk, als een betooverd wonder,
met 't kalf in heur dikspannenden balg, zoo dat men 't tasten kon. Elken
nieuwen dag groeide in ongeduld en nu dat zoo lange leed, gedeeg het
ongeduld tot gestadige spijt die teisterde als een gedurige wroeging,
met de onzekere hoop toch van een voordeeligen uitval.
--Wie weet was 't van den nacht niet gebeurd?! en hoe warm Doka daar
lag, ze had willen in Ghielens plaats bij de koe in den stal zijn.
Misschien was de koe in nood en Ghielen in slape! en die ingebeelde
gebeurtenis plaagde de oude vrouw nu met angst en met vleienden troost
in den dikken nacht die alle leven en geruchte besloten hield.
Met eene beweging van hare handen voelde Doka ineens al het leed van
haar oud lijf en de stremheid door 't lange liggen; heur asem begon te
piepen en te trekken door haar droge keel in lastig reutelen. Ze rechtte
zich haastig op, zat met de kin over de opgetrokken knieen, de handen om
de schenen genepen en dan barst het uit in hoesten, scheurend bij vlagen
en snikkend, zoo droog en schor dat heel haar lijf doorruttelde en
beefde om te bersten. Zij wachtte halend om den asemgang die achterwege
bleef, diep met iets in de keel dat kittelde er niet schuiven wilde;--ze
stootte daaraan en kuchte en bleef hijgend met luid meumelend zuchten,
afgejaagd als iemand in stervensnood.
De zwarte nacht hing vol de kamer en niets of geen geruchte buiten van
komenden dag of leven. Daar voelde het wijf de koude langs haren rug
neervallen en den top van haren neus betintelen. Dan wierp ze 't deksel
af en tord uit het warm bed in de koude. Hare handen zochten tastend
naar kleeren en haastig band en vestte zij rokken en lijven aan en
stroopte wollene kousen om hare beenen die bibberden. Donkerling, bij
den tast strompelde zij achterwaards de vautesteiger af; zij zocht daar
beneden om kloefen en klopte voort over den vloer naar de plaats waar ze
wist het vuurslag te vinden. Onzeker tikte de kei, nog eens en de
sparken sprongen lichtend op den baanst; daar ving het vuur dat zij
aanblies met haar piepasem en welhaast lonkte het lampwiekje,
nieuwgeboren schemerend in de koud-ijle nachtkeuken. De dingen stonden
er zwaar, vast herkennelijk in gewonen stand en doening, even als
gisteren en voor langen tijd.
Doka heur hoofd subbelde onder 't lampken dat aan den zolderbalk nog
wiegelde en ze steunde nu met de magere armen heur oud lijf op de tafel
om den asem die altijd lastig boven kwam. Achterna voelde zij zich in
gang komen stillekes beter en veerdig om voort te doen. Ze ontstak de
lanteern, bond een dikken neusdoek om het hoofd en ze ging de zware
grendels openschuiven aan de deur. De klink flikte en de hengsels
kriepten. Een gruwelijk koude tocht stroomde door d' opening binnen.
Doka boog het hoofd, stak hare hand onder den borstdoek en neep in
d'andere de lanteernhaak en als de deur achter haar was toegevallen,
subbelde zij voort in 't donker. Heere-God, de felle wintervorst had
weer al de waterzabbering bekorst en bevroren! Het wijf heur eerzelende
voeten stonden onvast op het glibberig plankier en ze doezelde
waaghoudend met de handen op goed geluk voort, voetje voor voetje
schorend en slepend langs den muur. Ze vocht om een geweldige hoestbui
in te houden, bleef wat staan tot het beterde en dan weer voort, naar
den koestal. Eer de klink te lichten dubde zij nog met de verwachting
van het voorval,--ze luisterde een wijle, maar 't bleef daar binnen al
zoo doodstil dat ze 't maar weer opgaf en grimmig de deur openwroette.
Ze hief zoo gauw haar licht in de hoogte dat een schemering rondwierp in
den warmen smoordamp en wat verkraakte stroopijlen en een glimmende
slietrand te zien lieten,--achter de witte ruglijn van de liggende koe
bleef het al donker en gedoken.
Belle draaide gedoezig den goeden kop, sloeg met den steert en blies
luide den warmen adem uit de neusgaten. Doka tord dieper en liet de
lanteern zinken om Ghielen te vinden. 't Schemerde entwat in den ledigen
sliet; de man lag als een vormelooze, zwarte fakel, zijne oude muts hing
over de schouders voorwaards tusschen de opgetrokken knieen en de armen
daarrond gekruist; Ghielen lag lijk lange dood en zonder hoofd
ineengezonken, moe van waken bij dat groot achterlijf van de koe dat wit
vlekte nu met den steert die rustig rondkwispelde. Ghielen zijn mutse
hief. Hij roerde wat aan zijne beenen en rechtte het hoofd als Doka weer
begon te hoesten en uit zijn kleine zwartstriepte pinkers zag hij haar
staan schudderen met de lanteern die ging uit hare handen vallen. Maar
in zijn eerste gewaarworden lonkte hij over den schouder naar den
witten hoop nevens zich en als het daar allemaal nog was zooals gister,
kreeg hij goeste om stil in zijnen polk te blijven liggen en voort te
soezen. Daar kwam ook eene hoestbui in zijne keel kittelen; hij rekte
den mond open en bij elken ademsnok kwam zijne tong naar buiten in een
goleken opgedraaid en snorkte weer binnen;--zijn rug schudde en zijne
handen tastten onduidelijk rond om hulpe. De tranen rolden hem over de
wangen en de slijmdraden sponnen uit zijnen mond en leekten over zijne
oude broekspijpen.
Doka had de lanteern ievers aan de balke gehangen en zij ook stond nu te
midden den stal met de handen op de knieen gestopen, te hoesten. De koe
met den kop gedoken in den donker van 't sliet, meumelde stil en steende
en ze sloeg harder met den steert tegen den houten weeg.
Ghielen en Doka hoestten en kuchten en braakscheurden om te meer naar
hun asem die trage opreutelde, en ze bliezen en haalden om die
belemmering weg te krijgen, stootten en spouwden het rekspeeksel dat uit
hunne opene lippen met de tranen uit hunne leepe oogen neerdrupte. Als
hij bekomen was klaverde Ghielen moeilijk recht op de beenen, zuchtte en
ging met de lanteern lichten bij de koe, omhoog, rechts en links; hij
betastte ze in de lanken, dreelde haar over de ruggegraat en hing de
lanteern weer aan den haak. Hij grommelde binnensmonds en geeuwde en
trappelde rond wankelwillig en drentelend terbinst Doka het stroo
effenschudde en zich neerliet in den polk dien Ghielen gewarmd had. Ze
knoterden nog wat ondereen zonder dat ze malkanders woorden verstonden;
Doka was reeds luide aan 't snorken en Ghielen blies de lanteern uit en
tastte naar de deur en vertrok in 't donker.
Doka's asemhalen verflauwde, de koe blies gezapig de lucht door de
neusgaten en lag rustig te herkauwen.
Ghielen was strompelend in huis gerocht, grendelde zorgelijk de deur
weer toe en kroop op de vaute in 't warm bedde waar zijn wijf gelegen
had.
Hier was 't een zaligheid voor zijne leden die stijf en strem waren van
zitten in den stal. Hij draaide en keerde van welligheid onder 't
deksel, trok de muts dieper over de ooren, en zijn hoofd in den polk,
knufte twee, drie keers en zuchtte om de deugd. Buiten was 't zoo koud,
maar hier werd heel de wereld vergeten. Spijtig was hij toch wel om Doka
die nu alleen in den stal moest zitten. Dat was vervelend met die koe,
dat waken al weken lang en loopen bij nachte van huis naar den stal,...
dat ze dan nog kalfde al 't andere ware niets en gewone werk. Wat was
het al lang dat ze samen niet waren slapen gegaan! Hij mijmerde nog wat
op de doening rond en daar kwamen veel dingen tegelijk in zijnen kop en
rond hem in de kamer staan, maar dat vervaagde allengs, alles liep
uiteen, zijn adem ging rustig en overal nu was de lange nacht weer
herbegonnen met een geruste zekerheid van ongestoorden slaap. De koe, de
koe alleen waarde nog rond door zijne gedachten: ze stond daar, even een
vreemde onnatuurlijkheid, groot gedrochtelijk, onwetend van heur eigen,
koppige geslotenheid. En Ghielen zag zichzelf daarbij met Doka als twee
magere, houtene sukkelaars, te wachten lijk zot naar een ding dat niet
bestond.
Ze zal wel betooverd zijn, dacht Ghielen, en hij zocht toveral naar
redens: of er iemand in den stal was gekomen die een kwade hand kon
leggen. Daarom hadden zij in 't stille, gewijde palm boven de deur
gestoken en een Antonius-koek in 't sliet gehangen, wasdruppels van
gewijde keers in de koe heur drinken laten leken en dan met nieuwe hoop
gewacht in gelatene berusting. Honderd keeren daags waren zij in den
duik gaan kijken, beurtelings of samen om te zien naar verandering. Ze
spraken met welgevallen over 't verdikken van den uier en 't opengaan
der heupbeenderen, maar bij hun eigen geloofden zij toch niet wat ze
zegden.
't Kalf kwam niet en de witte, schoone, atige veerze stond daar
welgedaan te muffelen, gezapig den langen dag door of lag en keerde den
kop en beurelde lankmoedig. De witte veerze, de schoonste van de streek,
waar Ghielen zoo fier op was, de schoone, schoone koe stond daar vol,
met wijd gespannen balg, maar ze wilde niet kalven.
In zijnen droom liep de boer een tijd vooruit: den langen winter beulden
zij elken nacht wakend zonder uitkomst met vrees voor dien betooverden
stal, daarin de koe staan bleef als een steenen wanbeeld, met dat
levenloos kalf dat ze niet ontbinden wilde, in haar lijf. Overal zocht
Ghielen naar middelen om van dien kwaden last ontdaan te geraken, hoe
't beest kwijt en uit den stal gesleept.--Verkoopen! Een volle koe
verkoopen, een drachtige koe! dat ging eerst als een onuitdenkbare
onmogelijkheid door zijnen kop en daarna liep zijne bewustheid als water
uiteen en hij droomde van heel andere dingen. Later verwonderde het hem
zijn vader en Klette, die al lang dood waren, op 't hof te zien komen en
rondloopen bij de koe die nu kalvend was. Zij hielpen trekken en daar
kwam een wit veerzekalf ter wereld, maar achter een tijd zagen zij dat
't beestje dubbel gelet was en twee koppen kreeg en vier pooten en oogen
lijk theeketels, zoo vereend dat Ghielen van den schrik wakker werd. Hij
zag nog altijd zijne overgrootouders en veel andere vernukkelde mannekes
en wijvekes, oud, gebocheld en krom katijvig, opgekrompen in de
sneeuwkoude staan lachen om dat zonderling kalf.
Hij werd er heel aardig van en ontsteld, maar zijn droge keel begon te
kittelen en hij hoestte en al de schrompelige, oude mannekes uit zijnen
droom zag hij op de vaute nu, gestopen, met schuddend hoofd, de handen
op de knieen, vervaarlijk te hoesten, te kikkeren dat 't water hen uit
de oogen liep, en zij zochten rond over den vloer naar den asem dien zij
verloren hadden. Het reutelde en steenpiepte uit hunne verstopte, oude
asempijpen dat hun mager ribbenkot erbij schudde en dreigde uiteen te
splijten. Door zijne betraande oogen keek Ghielen verweerd in de
duisternis, veegde 't kwijl van zijnen mond en kroop dan uit het bed om
ontdaan te zijn van die kwelspoken.
--Alzoo zal dat ne keer het laatste zijn, dacht hij; 'k zal in zoo'n
hoestbui eens blijven steken; moest mijn asem voorgoed achterwege
blijven 't ware gedaan en Doka, die ginder in den stal zit, zou er niets
van weten. Binst hij zijne kleeren zocht en aantrok, kraaide de haan op
den kiekenpolder en dat ging als de schreeuw van den verlaten eenling
op een onbewoonde landstreek. Die haan was heel oud, half blind en
sufachtig en omdat hij nu overlang geslapen had, meende hij toch te
moeten kraaien al bleef het rond hem altijd even donker, en hij merkte
wel ievers misschien een kriemelken klaarte.
Doch Ghielen niet en hij meende nu nog blinder te zijn dan de oude haan.
Hij grommelde zijne misnoegdheid uit om al die oude dingen die heel
anders en beter waren vroeger,--de winter vooral was nooit zoo domlang
en koud, en de angsthoop van dat kalf deed hem weer den komenden dag
eeuwig lang en verdrietig schijnen. Hij doezelde van de vaute, sloeg
vuur in de keuken en keek rond of alles in orde was. Dan knielde hij bij
den heerd en groffelde en rakelde met de ijzeren poke de heerdziele open
en lei nieuwe lemen en kaf op 't vuur dat traagaan in dunne kuilkes
begon op te rooken. Hij kuchte, kneuzelde en trappelde rond op de
kloefen in de eenige keuken, knoterde onverstaanbare dingen tusschen
zijne dunne lippen die gedurig overeen knabbelden. Hij zette zich
eindelijk dobbeltoe voor eenen stoel en begon stil zijn morgend-devotie,
in eene meumeling van onsamenhangende Onze-Vaders; want de koe en heel
dien kalvergang zat alweer, even een razende bezetenheid in zijnen zin.
Hij herdacht weer heel dien droom en dat "verkoopen" kwam hem nu niet
zot voor maar als een stellig middel van verlossing, zoodat hij het
ernstig meende nu en besloten was als na lange overpeinzing.
Zie 't was juist Zondag, 't wilde hem mee en na de mis kon hij Vinie de
koeiplote, zien te spreken; dan was de zaak zoo seffens al in gang, maar
Doka moest eerst haar gedacht zeggen.
Hij miek een eindekruis aan zijne gebeden want nu ging het toch niet om
gemeenstig Ons-Heere te bidden in die bestorming waarmede zijne zinnen
jaagden.
't Vuurke vunsde al helder op en de theeketel zong in langen piepvoois
als Doka de voordeur openstak. 't Oud mensch was heel toegeduffeld in
doeken en half vervroren hield ze de magere knookhanden ineen en 't lijf
opgekrompen; ze schormde zeere bij den heerd om warmte te vinden,
Ghielen keek naar heur op om nieuws te vragen lijk elken morgen.
--Dag, Doka; nog niets?
--Nog niet, Ghielen.
En ze legde de handen open op den buik van den warmen ketel en kroop nog
dichterbij het vuur.
--'k Heb daar gepeinsd in bedde, Doka, dat 't best ware als we de koe
maar verkochten ... als ze toch niet kalven wil. En hij bleef half
bevreesd om 't uitwerksel van zijn zeggen.
--Verkochten? herhaalde Doka, zoo toonloos dof en verstrooid en zij
scheen diep te overwegen en tijd te vragen eer heur gedacht uit te
spreken.
--Verkochten? Verkochten? zei ze nog.
--Ja, 'k kan vandage Vinie zien na de mis en 'k zal hem zeggen dat we
een volle veerze willen kwijt zijn ... dat 't eten schaarsch is, of
zoo....
--En moet dat nu zoo seffens en al ineens zijn! en als ze morgen of te
naaste weke kalft?
- Morgen of te naaste weke, hertinselde Ghielen wat bitsig, maar dan
kalft ze wel, mij verveelt dat wachten ... en als ze niet kalft en heel
den winter als een droge ratte blijft op stal staan, en den zomer
daarbij?...
Hij verslikte aan de opgewondene haast waarin hij opliep en ze gingen
beiden geweldig aan 't hoesten. Als 't over was werd Doka heel heesch
zoodat Ghielen haar moeilijk verstond; ze zegde in der haast eene reek
zonder dat ze 't zelf aaneen kon brengen; op 't einde vatte hij toch dat
ze den ouden voois aan 't zagen was en weer beweren wilde: dat Ghielen
eene maand gemist was in zijne rekening. Daarom wierd hij boos.
--Maar, Doka, hoe kunt ge toch alzoo zijn? te bamisse was 't negen
maanden dat we Belle geleid hebben; 't staat geteekend op den deurlijs
en in den stal--vraag het aan den knecht te Vramme's--en nu zijn we al
een manesching bijkans, overstier.
--Ja maar, neuzelde Doka weer, we zijn, we worden oud en onze zinnen
staan niet meer zoo vaat; mijne oogen ... mijne handen zijn niet meer
lijk overtijd....
Zoo knuffelden zij en knoterden zagewijs voort over en weer zonder einde
of bescheid; ze hoestten daartusschen als zij den asem kwijt gerochten
en wachtten weer om van nieuw te herbeginnen. Al dat geraas klonk zoo
vreemd nuchter, zoo vroeg, ontijdig lijk bij nachte als alleman slaapt,
in die levenlooze, naakte keuken. Daarbinst wrochten en poenderden zij
voort aan de koffie, en aan 't effen- en klaarzetten in de keuken; zij
liepen gebogen, wandelend over den vloer in kleine, pettutige stapjes,
met trage bewegingen en duttend in de halfdonkere onzekerheid van hunne
vervaakte oogen. Doka droeg de koe een broodje en dan dronken zij zelf
aan tafel een kopje koffie met kandijssuiker. Ze taterde nog altijd.
Ghielen haalde al de redens uit die hij wist om Doka te bewijzen en te
overhalen dat die vreemd bezetene koe weg moest, dat hij niet meer waken
wilde of alleen slapen, en dat de menschen zouden gekken met hunne koe
die niet kalfde en dat het gedurig in zijn zinnen speelde om er gek of
ziek van te worden. Hij stamelde en steende en hoestte na ieder woord
en:
--Die koe.
--Die schoone koe, zuchtte Doka, 'k meende dat 't er eene was voor ons
leven.
Dat vriendelijk beest had zij gekweekt en:
--Ghielen, gij begrijpt dat niet, 'k heb ze zien groeien en groot worden
lijk een kind en ze keek zoo gedoezig op telkens ik in den stal ging....
Als men alzoo alle dagen zijn best doet om ze te verzorgen, daarom was
ze altijd zoo beleefd, zoo trouw en gezapig, en nu is ze zoo net wit en
schoon geworden, en ik ben al zoo spijtig als gij omdat ze niet
vernieuwen wil, onze schoone koe.
--Schoone koe, schoone koe, gromde Ghielen in zijn koffiekom, 'k lache
met zulk eene schoone koe, om alle duivels, neen 't, maar een oude varwe
koe gelijkt het, een uitgeruttelde, verdroogde kwenekoe die nooit van
kalf of stier iets geweten heeft,--we gaan ze afsteken. Ware 't niet
dat ik heur, voor mijne oogen, als kalf gekocht en gekweekt hebbe, 'k
zou gelooven dat Segher Verschuere ons alle twee bedrogen heeft. Maar
een nuchter veerzekalf en kan toch op een jaar tijds geen oude munte
worden? Dunkt 't u niet, Doka?
--Neen 't, Ghielen, dat en kan niet.
--Daarbij, wie zal er durven zeggen dat ze niet drachtig en is? bezie
dien balg!
--En als ze drachtig is moet ze kalven, vroeg of late.
Ghielen en wist daar zoo seffens geen antwoorde op. Maar hij gebaarde
van geen verlegenheid.--Zie, Doka, horkt, na de misse ga ik rondzien
achter eenen kooper; Vinie voorzeker weet er niets van dat onze koe
haar volle rekening heeft, z'en zal er geen cent te min voor gelden:
we zeggen hem dat ze kalven moet in Korte-maand en ze is, vet en gezond
lijk ze daar staat, zeshonderd frank weerd.
--Zeshonderd frank, zuchtte Doka, Vinie zal in vijf minuten zien dat die
koe niet in regel is.
--Niemand kan daar iets aan zien!
Dan zwegen zij geruimen tijd en bleven zitten peinzen en warmen met de
kloef en in de heerdassche. 't Bleek, schrale lampke lichtte een klein
rondeken helderheid over tafel op de witte kommen en door de
vensterruitjes kriemelde een grijze schemer, zoodat de zwarte daken van
de schuur en den stal tegen den hemel begonnen af te teekenen in vaag
blauwe grijseling. De haan kraaide nu herhaaldelijk.
--De menschen kunnen gaan rieken dat onze koe overstier is, herbegon
Ghielen, en die haar koopt kan op zijne beurt het betooverd kalf
afwachten. Hij grinnikte zoodat zijne fijne lippen wijd openrekten over
zijn tandeloozen, ingevallen mond.
--We zullen heel den winter gemakkelijk zijn en we koopen ten uitkomende
een veerzekalf.
Ze bewrochten en berekenden heel de schikking en de winsten en de
weerden, stil in hun hoofd, met dezelfde gedachten zonder er nog onder
malkaar over te spreken.
Doka begon heur bezigheid aan den ketel koeisop, sleurde aan de zak met
gruis en de lijnzaadkist. Ghielen hing het lampke voor den kleinen
spiegel tegen de ruiten en haalde scheergerief en zeep bij om zich den
baard af te doen. Hij wreef het schuim met warm water over kin en wangen
en schrapte dan traag met 't scheermes over zijn slutshangend vel dat
't ruischte.
Doka haalde zijn verschen kiel uit en lakenen frak, en ze hielp hem 't
een en 't ander aantrekker. Ze wrochten alzoo samen en beulden aan de
frakmouwen en trokken gezamenlijk aan de leerzen, al hun macht, totdat
Ghielen op zijn zondagsche stond. Doka hielp nog zijn hemdeband recht,
zette zijn pet stevig en warmde zijn schaapwollen wanten. Ze maande hem
op te passen, haalde wat centen uit heuren schortezak en telde ze hem
in de hand:
--Een voor den kerkstoel, een voor den offer-blok en 't andere voor een
borrel na de mis. Ghielen stak ze zorgelijk weg in den binnenzak, nam
wijwater en miek een kruis.
--Doka, 'k ga.
--God beware u, Ghielen.
Ze neep nu 't lampken uit, zette haren stoel bij den heerd en schoof
hare kloefen in d' assche, zij haalde den paternoster uit om daar heur
misseplicht te volbrengen. z'En kon, de arme sloore, al lang niet meer
uit naar de kerk.
Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe
haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en
zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij
omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe
te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden
en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig
doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten
regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was
alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de
zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de
klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort
lijk verloren in een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg
en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't
overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel
blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje
of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk.
De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo
duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde
knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend
djoezelde hij zonder opkijken voort.
Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen
in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel
beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend
staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig
de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten.
In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke
gingen. Ze riepen van verre goendag naar malkaar en vorderden hunnen
weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en
schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren
geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop
en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak
bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak
met oorlappen diepe neergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig
opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn.
Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel
de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde
boer Van Tomme hem 't nieuws mee dat de pastor daar zoo seffens kwam af
te lezen:
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11