A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: A 5th Gospel Can Be Like a 5th Wheel
An independent publisher said it was negotiating to release Herman Rosenblat’s discredited memoir, “Angel at the Fence,” as fiction.

Arts, Briefly: False Memoir May Find New Life as Fiction
The architectural historian Kenneth Frampton has updated his 1995 book with 11 additional houses.

Currents | Books: 11 More Great Homes
A personal Christmas tale posted online by the author Neale Donald Walsch turns out to belong to someone else — the writer Candy Chand, who first published it 10 years ago.

Stijn Streuvels - Dagen



S >> Stijn Streuvels >> Dagen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11



--Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven.

--Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort.

Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij,
met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden.
Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een
borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek
rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de
koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte
van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te
stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene
teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen
schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit
boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne
glazekes.

--Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte
koe, gediend is?

Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok
drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den
vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de
pijp omhoog:

--'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen.
Er komen zooveel koeien op 't hof--maar z'en kan niet lange van heur
rekening af zijn.

Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken
droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen
onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen.
De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die
staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich
daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever
uit de steenen literkruik in kleine glazekes.

Kijk, dacht Ghielen, daar is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de
koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij
hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken
neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd
met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen
deed.

Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open
en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers al
aan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden
en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te
grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen
elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar een die zijnen
man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid
mededeelde.

Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den
boer opstond.

--'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde.

--Zoo, lijk we gezegd hebben?

--Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt.

Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel:

--Hork ne keer, 'k moet u spreken.

De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als
bij den anderen boer.

Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op
stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te
veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,--maar 't was een
buitenkans, jongen: een kostelijke koe.

En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn.

--Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen
uchtend mee, ik weet een kooper,--als ge niet overgaapt in den prijs!

--We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels.

Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde
halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken.

De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen
van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange
ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was
een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg,
hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van
een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en
dood toegedekt lijk bij vallenden avond.

Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de
boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord
hij binnen.

--Doka 't gaat sneeuwen.

De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en
gebraden vleesch.

Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi
opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu
ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur
nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen
voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn
verkleumde knoken warmde bij den heerd, zette Doka de tellooren en soep
op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den
smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen
uittrekken en zij aten huns tweeens eerst soep met houten lepels en
daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde,
lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat
jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer
Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor
van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel.

Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was
voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde,
maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze
vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange
waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en
hoe 't er mee stond.

--En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar
onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka?

--Wat ge wilt,--wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't!
en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand over is.

--We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen.

Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan
sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn
en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij
zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten
onderwijle en trokken lastig aan den asem.

Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof
fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De
koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep
was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond.

Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar
Doka en ging haastig opendoen.

--Binnen, Vinie, binnen.

Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen.

--We gaan kwaweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen
nader bij 't vuur.

--'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere
zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken!

--Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de
koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte
daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond
stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten
zonder ommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn
kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het
wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te
treuren op eenen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan
met zacht vermanende woorden.

--Ze heeft het hier warm, meende Vinie.

--Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de
luchtgaten toegestopt zijn.

Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest
ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf
voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend
de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond.
En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken
lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude
kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien
van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met
zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder
zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond
de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en
balg en ging weer al den overkant.

Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn
vest achteruit getrokken met de armen tot aan de ellebogen bijkans in
de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen
buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten
uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen
onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de
oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze
hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de
gedokene doening zou bemerken.

Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren
muil open, en telde de tanden met zijne vingers.

--Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij.

Ze bezagen elkaar en:

--Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om
niet te pinkoogen.

--Newaar, Doka?

--Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in
een geweldige hoestbui.

--'t Is hier koud staan, meende Ghielen.

--'t Is eigenlijk een schoone koe.

--Newaar! zegden ze alle twee.

--Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten?

--Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem
op.

--Doe er honderd af.

--Geen cent min, schudde Ghielen.

Ze stonden een tijdeke sprakeloos.

--Den stok in tweeen, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht?

En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken.

Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden.

--Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt,
'k heb daar een kooper.

--Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen.

--Wel, geluk ermee, en de koopman vertrok.

Aan de hofpoort keerde hij zich om en:

--Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en
'k doe morgen uw beest mee.

--We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij
liet Vinie vertrekken.

De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op
stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde
hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot.

Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde
uit in eenen kikkerlach.

--Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe
komen halen!

Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde
welgezind.

--O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen
de naaste mane kalven! loech Ghielen.

--Zal hij terugkeeren?

--Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie.

Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan
over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen.

--Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze
zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf.

Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten;
ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en
boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den
blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog
vijftig jaar leven te verwachten hadden.

Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur
en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom
op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in
de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen.

Buiten, voor het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind
en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den
windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als
dansende witte regen.

z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht
altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of
voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag
besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten
vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een
opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden,
betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen
ze hard met eenen vuistslag die bonsde.

Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk
voor elk een goeden druppel;--Ghielen liet den zijne nog eens
volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan
nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden
gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis
vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten
alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van.

--'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen.

--'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder
naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in
de verte te zien was.

--Zou hij wel zeker komen, Ghielen?

--We kunnen nog wachten.

--En als hij niet komt?

--Wel, wat zouden we doen?--de koe is nu zoo goed als verkocht ... en
vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft.
En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf.

--En naar de markt leiden, waagde Doka.

--Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen
naar stad en die koe drijven?

Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan
ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis.

--Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't
avondt, riep ze.

Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging
buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te
wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende,
donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol
wittigheid.

--Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de
handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond
over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen
aantrekken.

--Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen
asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen.

--Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre!

--Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk
hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene
doodelijke ziekte thuis.

Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch
eten.

-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den
zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing.

--Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem.

Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en:

--Doka, 'k ga.

Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te
zeggen:

--Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje
land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze
driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een
paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken
naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt.

--Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en
't is hier zoo eenig op 't hof.

Zij zag hem gaan met kleine perneutelige stapjes, een schouder
opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw.

--Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze
staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen
op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de
vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los
en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om
te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al
tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht
telkens een armvracht eten mee: een mandeken beeten, twee, drie koolen,
een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf
dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde
het met eenen stok.

Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in
de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat
naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te
weten of er nog iets te doen was? Neen't.--Zij rakelde wat houtkoolkes
in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten,
ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm
neer.

Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den
zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de
roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe de witte vlokjes zoo stil,
vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht
ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't
vensterruitje kwamen wentelen.

De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den
heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid.

Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar
hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem
redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den
koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde
naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen
gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje
slapen eerst.

Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het
hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood
was--z'had er honderd keers tegen gekout--en dan zocht ze weer in de
gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo
zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten
't groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken.

De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den
koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp
met ziedend schuim hieven 't deksel met een geuleken op waardoor 't sop
uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de
brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op.

Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de
keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze
schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den
haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had
en zocht nu naar den draad van heur verstand.--Ghielen bleef te lange
weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze
vergeten.

O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een
vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen
weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't
veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman,
en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten
hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op
eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of
zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te
vergaan in den nacht.

--w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens.
Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; ze ontstak al
bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen,
't en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo
met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat
doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan
rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't
Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat
hij zoo beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de
Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om
van dien koop te spreken....

Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en
alzoo de onrust te verdrijven.

Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal
zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet
vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te
paaien.

--Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te
maken, maar 't was altijd niets.

--Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze
kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats.

Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer
bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, witte
zee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met
zware, witte mutsen bedekt, eenkleurig, onkennelijk onder 't zwart
geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden
Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van
zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal
trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door
een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,--van den
metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude
werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zoo aan de rampe
kwam.

Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken
gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij
't gedacht: moet het zoo voortduren, ze hier kon insneeuwen en
versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen
krijgen.

Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot
medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad
Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude
dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden!

Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde
mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en
heur wilden vermoorden.

Hoor, de koe beurelde om eten.

Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de
groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in
den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren
ging.

De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst.

Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en
eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te
blijven, de voordeur.

Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen
lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't
herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te
wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de
schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan
ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't
donker:

--Ghielen! Ghielen!

De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde
zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen.

En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf
kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden
t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er
zot of simpel werd.--Het bleek heur zelf nu als een schendig misbruik
van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer
weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten
laten branden.

Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als
't haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen
drogen bij den heerd.

Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken
was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte:

--Och Herre toch, help mij, Herre!

Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in
't vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde
zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze
proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te
verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de
twee ringen, ging dichter staan en zoo kreeg ze hem boven den haak, maar
dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek
beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook,
in brand heur kleeren, overal.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.