Stijn Streuvels - Dagen
S >>
Stijn Streuvels >> Dagen
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11
--Dille, onze Miel heeft een goed nummer getrokken! menschen-God is dat
een dingen, is dat een dingen! 'k Sterve van blijdschap! 'k heb gebeefd
heel den dag, maar nu peins ik eerst op u, Dille, ge moet meevieren ent
ook uw deel hebben, hier, drink dat uit, hier ze, 't is beste genever;
maar 'k moete naar huis, is dat een dingen, t' onzent: er zijn wel
vijftig menschen en ze dansen dat 't kot dreunt! en Dille, ze hebben mij
doen drinken, mijn hoofd draait er van, Dille, dat is een dingen: mijn
oudste jongen die nu vrij is van de soldaten, een beeld van een jongen,
ge kent hem,--en dat hij nu vrij is! Ze sloeg op heur bil en wakelde
naar buiten. Tegen dat Dille een woord ging uitbrengen en verstout was
om iets te vragen, was Frielde de deur uit en weg.
Ze was opgeschrikt in de valsche hoop, en stond verslegen nog van
ontroering: op den slag had zij gemeend dat 't in der daad de bakker was
met brood of de brief drager met geld, of....
In een onbedachte beweging greep Dille naar 't pintje en dronk in een
zwaai de genever uit, om de ontroering neer te spoelen.
--Dat zal mij beteren, meende zij.
En waarlijk, 't deed deugd, 't warmde heur lijf inwendig waar 't vocht
voorbij liep en na eene stonde klaarden heur gedachten, ze was zoo
verlegen en angstig niet meer om wat er komen zou: die "later" was in
eenen nevel gedoken en, daar waren bij haar weten, nog geen menschen in
hun huis doodgevonden of vergaan van honger, er moest dus enthoe hulpe
komen?! En, hoe grooter nood hoe nader de beternis, na de grootste
armoede keerden de dingen dikwijls beter dan ooit....
Ja, ze waren daar, Dille hoorde 't getrappel en ze zag hoe ze opkeken
naar 't venster, verlangend.
Hunne oogen waren rood gekreten, hunne handjes en wezens waren blauw van
de koude en ze kwamen uit gewoonte, warmte zoeken rond de stoof waar er
van heel den dag nog geen vuur en was. Ze keken naar moeder en zoetjes
eerst, begonnen zij te weenen, ingehouden.
--Moeder, honger, geef ons eten, kermden zij, g'hebt het beloofd,
moeder.
En als moeder ook heur voorschoot aan de oogen hield, lieten zij 't
luide los, ze barstten uit met geweld en huilden.
Ze stonden alle vijf, rond moeder, schamel in hun gescheurde en verlapte
kleeren, de haartressen wild onder de muts en uit hunne natte oogen keek
de meewarige, drukkelijke angst. Het kleinste meisje hield de handjes
aan den buik en wrong haar lijveken van pijn en ze schreeuwden allen om
ter luidst.
--Moeder, moeder, moeder!
Ze trokken aan heur armen, aan haren rok en riepen altijd:
--Moeder, moeder! mijn buikske, moeder.
--Mij eerst, moeder, Gustje heeft een halven boterham gekregen van den
mulder en Marietje twee aardappels.
--Zwijgt of 'k worde zot!'riep Dille tenden raad. Ze schokte ineens heur
lijden weg en raasde van ongeduld.
--Zwijgt! wacht en zwijgt, 'k en heb geen eten; heb ik zelf geeten in
drie dagen?! wacht en zwijgt--ge zult eten krijgen!
Ze zegde dat en ze meende 't ook, doch waar ze't halen zou en vroeg of
wist ze niet. Inwendig gloeide een deugddoende warmte in haar lijf.
Heur moed was gekomen zonder dat ze wist van waar en eene stoutigheid en
vaste zekerte zonder oorzaak, 't Was 't toppunt nu, het hoogste en nu
moesten de dingen keeren, gelijk hoe, dat was heur zekere overtuiging.
Zij voelde een plechtigheid door die hoogte die de wanhoop verdreef en
't uiterste moest nu gedaan worden. Ze nam de handjes van een der
knechtjes in de hare en 't waren als ijsbrokjes.
--g'Hebt koud, mijn dutske.
Ze keek rond.
--Ja, we gaan vuur maken en warmen, en als ge zwijgt ge zult eten
krijgen, maar zwijgen, ze zouden buiten gaan denken dat ge hier vermoord
wordt.
Ze nam het kapmes en kloof de zoutlade, 't naaibakje;--'t was haar een
troost dat ze die uiterste dingen te vernielen nog over had. De houtene
lepels, de tafellade, 't vloog al aan splenters. Ze ontstak en vulde de
stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw
rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen
er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen.
Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht
nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden
mede waar moeder ging. Ze stond te wachten naar entwat--Ivo kwam niet
terug--en dan schoot het haar plots te binnen,--'t was als een slag die
inval--de menschelijke hulp was verder dan ooit--'t wonder moest van
elders komen, en de nood was nu zoo geweldig dat 't zonder bovenaardsche
hulp niet meer te beteren was.
--Lezen, jongens, lezen! riep zij. Allemaal op de knieen hier rond mij,
hier op de knieen.
Ze nam het ouderwetsch, steenen beeldeken van de kaafbank en hield het
in beide handen gesloten. Ze deed teeken met de ellebogen dat de jongens
moesten nader komen.
--Al in ronde, en de handjes samen en hier naar Sint-Josef kijken, en
nazeggen wat ik zeg, schoon.
Al de oogen waren op moeders beeldeken gericht en zij zelf en keek er
niet van weg; al de handjes staken gevouwen uit in smeekende houding.
Zij begon met luide stem en snakkende woorden:
--Sint-Josef, ge moet ons helpen!
Ze wachtte en de vijf kinderstemmekes herhaalden, op zachteren toon:
--Sint-Josef, ge moet ons helpen!
--'k Kenne maar U alleen!
--Van d'ander Heiligen houde ik niet!
--Gij alleene zijt getrouwd geweest en weet wat het is jongens te
kweeken en armoede te lijden!
Effenaan, elke reek haalden de jongens heur af en herzegden moeders
woorden met eenbaarlijk smeekende stem. Geen hand en verroerde, geen oog
en verpinkte.
--w'Hebben honger, Sint-Josef!
--Grooten honger.
--En ge moet vader werk geven, dat we eten krijgen en vuurmaaksel.
--En als ge ons dat geeft zullen wij u bedanken op de bloote knieen en
voor u een groote keerse branden.
--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!
--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!
Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij:
--Onze vader die in de hemelen zijt.
--Die in de hemelen zijt.
--Geheiligd zij uw naam.
--Ons toekome uw rijk.
--Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
--Nog ne keer, en luide, allemaal:
--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het
onze-Vader en 't weesgegroet.
Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders
ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en
starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef
zelf, in moeders handen stak.
't Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij
de klaarte die door de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten
gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam
thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die
deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed.
Dille bezag hem.
--Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld
maar morgen koopen wij ze.
Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't
brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met
zulk eene zekerheid gewaagde. Maar:
--Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm--en zonder kriepen, dat ik
niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten
optrekken!
Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige
belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien
bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een
ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die
aan 't venster hingen.
Geen een die roerde.
Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de
warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook al haren moed en
betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar
ingewand. z'En geloofde niet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo
vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de
kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop.
Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den
gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten
dat ze flauw viel en begaf in heur sterk geloof.
--Morgenuchtend is er brood, herhaalde zij gedurig om zichzelf te
overtuigen, maar ze had altijd geern geweten hoe het er komen zou. Ze
leed mede de pijn van haar jongens, de narigheid en de flauwte van hun
ijdele maag en de krampe van hun buik. Dat belette haar te slapen. Tegen
Ivo wilde zij nu geen woord spreken. Ze wachtte alzoo heel den nacht met
ontroerd gemoed, tusschen hoop en vrees, lang, lang naar den morgen. Als
de dag schaarsch begon, eer 't nog vol klaar was, verlangde Dille reeds
op te staan, en de jongens ook waren al gewekt door den grooten honger.
*t Was weerom koud in huis maar er hing entwat in de lucht: 't
overblijfsel van die sterke hoop op uitkomst waarmede ze gister gaan
slapen waren en dat miek den uchtend anders en buiten de gewone
verdrietigheid van koude en gebrek.
De jongens roerden stille zonder spreken. In de schemering overal was
't zoo plechtig als een Sinter-Klaasdag als ze hun pander met dingen uit
den hemel moesten gaan vinden. Ze zochten sjerpen en kloefen en muts,
en stonden te wachten zonder te durven vragen of zeggen wat er hun
scheelde, met den krijsch gereed op de lippen.
Dille was nog bij 't bedde en in de uchtend-stilte begon zij al luide:
--Ivo, toe, kom er maar uit, 't is 's nuchtens best om iets te betrapen
buiten, de eerste aankomers zijn eerst besteld. Ge moet naar den
brouwer, en naar Fleters aan 't fabriek; en aan de wasscherij en aan de
werf, daar kan een scheep te lossen liggen.
Ivo kroop er uit en zoo gauw was hij buiten, zonder een woord te
spreken.
--Lezen eerst, jongens, allen op de knieen.
De jongens knielden neer en baden stil met de handjes gevouwen.
Dille stond zonder te weten wat aanvangen; ze keek nog buiten in 't
grauw, donker steegje en dan hing ze weer de gordijnen aan 't venster
die als deksel op het bedde dienst gedaan hadden.
--Kom hier nu, gasten! Gij Marietje naar Maarten den bakker en vraag een
brood en zeg dat moeder 't morgen zal komen betalen, schoone beleefd
vragen, kind.--Gij, Zulma, hier met dat zakje naar den winkel op den
hoek om aardappels. En gij, Oskar, en Fideel neemt Gustje mede en raapt
de branders uit den aschhoop aan de poorte van Vanneste's stokerij, maar
uit het koolkot niet te stelen, hoor!
Ze vertrokken zonder spreken. Hun kloefkes klopten op 't plankier.
Dille, als ze alleen was, nam weer 't kapmes en kloof een slechten stoel
en legde de splinters op de stoofbuis. Dan bleef ze boutstil met de
handen onder den voorschoot, staan wachten, 't Beeldeken stond nog op de
kaafbank, roerloos, steenstil en dood, 't was als een zotje in
gedwongene ingetogenheid, met neerhangend hoofd en gedweee, gelokene
oogen, maar er hing eene lucht van wonderheid en gedokene macht rond die
simpele nietigheid. Dille kon er de oogen niet van keeren, ze geloofde
nog altijd, maar bidden deed ze niet meer; heur gemoed was droog en hard
en heur zinnen liet ze vrij aan 't noodlot over. Ze luisterde naar al de
geruchten op straat en ze telde of raadde met een flauw besef, de kansen
die lukken konden, heel gelaten wachtend naar 't geen de jongens haar
brengen zouden. Hopen durfde zij niet, maar de vrees en de angst waren
weg ook; ze voelde alleen de rauwe pijn van de maag en de ruischingen in
den kop die haar deden wakelen op de beenen. Ze ging leunen tegen den
muur. De ijzige koude en de rilling overvielen haar lijf en de
vermoeienis drukte haar nu van dien slapeloozen nacht
Marietje kwam eerst naar huis en het weende.
--Moeder, hij zegt dat ge zelf om het brood moet gaan, en 't ander eerst
betalen.
Die slag joeg haar lamme lusteloosheid weer tot woede op.
--Die smeerlap! De vrek, gaat verhongeren om des wille van een
broodje!--'k wil dat hij in zijn leven....
De deur vloog open en de knechtjes kwamen binnen geloopen met Zulma.
--Moeder, moeder, kijk, 'k heb een schoonen cent gevonden!
En Oskar hield zijn blinkend geldstuk uitgestoken. Dille had hem met den
eersten greep bij den pols zoodat de cent in hare hand viel en als ze
wel gekeken had:
--'t Is 'ne frank, 't is sakkerdomme 'ne frank! waar hebt ge dat
gehaald? waar de verdomme, zeg het mij! en ze schudde den jongen bij de
schouders.
--Gestolen, newaar, deugniet!
--Neen, moeder, gevonden! riep de jongen die 't heel anders verwacht
had; hij keek rond in 't wezen van de broers om hunne
getuigenis--gevonden aan den aschhoop.
--Gevonden aan den aschhoop, gevonden, moeder, herhaalden zij.
--En lieg niet, sloeber, of 'k vermoord u!
En nu vertelden zij al dooreen, hoe 't gebeurd was, wie hem 't eerst zag
liggen blinken, en wie hem opraapte en dat er niemand bij of omtrent was
om te vragen....
De deur was ongemerkt opengegaan en daar stond een wijf.
--Ewel, Dille, gaat ge mee? vroeg ze.
't Was Anzela en ze had een baalzak onder den arm.
--Wat, naar waar?
--Dat is nu wel, vervolgt ge de dagen niet meer? Dille,--of deelt ge
niet meer mee aan de armkamer? 't Is verjaardienst vandage met dubbelen
brooddeel, voor Schafels, hoort ge de klokken niet?
--Jezus Maria--menschen! Anzela! dat was mijn ziele, uit mijn gedacht!
wijf, kom, gauw, 'k zat waarachtig zonder eten, jong, gauw,--jongens
houdt u koes, 'k ben seffens weer, riep ze nog aleer de deur toe te
trekken.
--Mensch, mensch dat was leelijk uit mijnen kop gerocht, vergeten van
zuivere mezerie!
Aan de armkamer stonden de wijven in grooten drom voor de poort te
wachten. En na den kerkedienst kregen zij elk drie brooden.
Dille en genaakte geen grond, ze liep onderweg in eenen winkel, ze
tastte of de wondere frank wel zuivere munte gebleven was in hare hand
en dan kocht ze een kwartje smout en verder in een anderen winkel, liep
ze weer binnen om een groote keers. En geladen draafde zij naar huis.
Heur berekening was gemaakt en heur voornemen. De jongens wachtten op
den drempel.
Zij veurde groote sneden van 't brood en smeerde er smout op.
--Ge zult allen besteld worden, niet te vechten, ge krijgt vandage den
buik vol. En vader nog niet thuis?! 't zit goed, hij zal iets gevonden
hebben!--God van den hemel!'t was ineens weer de gouden tijd geworden!
--Jongens, jongens! eet maar! ze loech, ze weende, 't geld van den
gewisselden frank rinkelde in haren schortezak bij elke snede die van 't
brood viel en wat was het een lust de jongens te zien bijten! Dan vond
ze de keers.
--Lezen, eerst en vooral lezen, op de bloote knieen! zie-je wel
Sint-Josef is er tusschen gekomen.
Ze ontstak de keers en plantte ze vast op 't schouwberd in 't vet dat ze
er liet afdruppelen. En ze viel nevens de jongens neer en ze robbelde
ook hare rokken op om met bloote knieen de belofte te volbrengen.
Ze reikten allen de handen naar 't verlichte beeldeken en zoo begon zij:
--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen!
--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! herhaalden de jongens
met den mond vol brood en ze beeten een nieuwen greep en eer 't
verzwolgen was en met hun brood opgesteken, herhaalden zij:
--w'En zullen u van 's leven niet vergeten!
--We bedanken u voor 't groot mirakel!
--'t Groot mirakel!
--'k Wist het wel dat ge onze mezerie kendet!
--En ons zoudt helpen!
--Alle dagen nu--'t is vast--lezen we een groot gebed voor u, op ons
bloote knieen.
--Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden
winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man!
--Onze Vader die in de hemelen zijt!
En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien
onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging.
* * * * *
VREDE
Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag,
reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis.
De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen
zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot,
donker hoofd woog boven de knieen, met ingetogenen ernst. Zijne handen
hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen
schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte
Free, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen
over den schouder.
't Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder
haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van
het stille dageinde.
De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk
was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hij
voorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die
onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings
over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol
bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van
de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren.
--Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van
daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een
krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over
hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude
sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid
bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland--de
vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn
eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd,
schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte,
de verrader!
En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine
bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd.
--Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was
de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?...
Den boer zijn eendlijk hoofd hief en voor zijne oogen, beneden de
gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net
omtuind.
--Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst
door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de
natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,--of hij 't
eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was,
vervolgde dezelfde stem wat treitend nu:
--Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge
ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond....
--Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een
mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten
ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde
wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest.
--Free, zegt ge entwat?
De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en:
--Ik, neen-ik, boer.
--Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan
't zeel.
De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer
traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd--kwaad om zijn eigen
doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't
dolen brachten. Hij wilde niet meer denken.
De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de
duisternis eindde.
De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en
Verlinde voelde nu van waar hij zat--drukken op zijnen rug, bachten
zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving.
Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het
zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden.
't Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan.
Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en
binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige
manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van
verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en
Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen
... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig
boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis.
Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd
en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder
struikelen hun huis te vinden.
Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond
bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad,
als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in
de keel en de stilte rondom hield hem alleen in, ze luie uit te
schreeuwen.
--Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij
... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de
onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet
uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's
gemoed voor een mogelijke botsing.
In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal
stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en
duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels,
scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht.
De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen
de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den
dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene
balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige
onduidelijkheid.
--Ho, Dolf.
De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Free de
klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte
"welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid.
De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de
donkere keuken.
De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de
tafel en de witte borden;--en de vlamme die in den heerd het zwarte gat
van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen
van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten.
--Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen.
Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het
venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder
opzien.
--De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer.
Free meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet
antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend
openwachtte.
--Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond.
Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel
en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de
spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord
tusschen viel.
Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Free stond recht.
Hij bleef nog wat aarzelen voor 't venster en dan;--Wat is er voor
morgen? vroeg hij.
Terbinst die vraagwoorden nog in de keuken hingen, was Verlinde aan 't
regelen en zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den
volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens
terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als
vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn.
--Jawel, Free, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen
we samen hopperen....
Free stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur
schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de
druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme.
En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan
te maken:
--Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd
kunt ge ook de lammersteert afmaaien.
--'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw
veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goen avond vrouw.
--n' Avond Free.
De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent voor
zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen
geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte
in dunne deklaag over de velden. Free wees naar de wolkenbank die als
een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing.
--'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij.
De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie
was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij
miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik
tegen 't venster staan.
De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit
staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine
stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer.
Omhoog was 't een reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust.
Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst
de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige
avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zoo
waren als verleden jaar in dezelfde doening--maar toen was het in zijn
gemoed zoo kalm--nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij
voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,--de
strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij
voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zoo geworden was, spijt om
dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te
vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast, zijn
stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe
oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11