A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: A 5th Gospel Can Be Like a 5th Wheel
An independent publisher said it was negotiating to release Herman Rosenblat’s discredited memoir, “Angel at the Fence,” as fiction.

Arts, Briefly: False Memoir May Find New Life as Fiction
The architectural historian Kenneth Frampton has updated his 1995 book with 11 additional houses.

Currents | Books: 11 More Great Homes
A personal Christmas tale posted online by the author Neale Donald Walsch turns out to belong to someone else — the writer Candy Chand, who first published it 10 years ago.

Stijn Streuvels - Dagen



S >> Stijn Streuvels >> Dagen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11



Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne
eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als
den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig
bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf
en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het
heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette
zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk
te poetsen.

Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste
opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief
haastig het hoofd.

--Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi
kunnen we dan algelijk inhalen.

--Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend.

--Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht.

--'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot
werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte.

Dat was eene ophitsing.

--Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk
borstels, donker boven de oogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte?
voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag
gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef,
wat doet Vanhoutte daar tusschen?

--O, mij goed, verschoonde de boerin.

En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend
in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in
en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen
uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef,
ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de
kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur
voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde
in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't
vlammeke en verpinkte niet.

--'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde
in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak:

--'k Zal voor 't klaren uitzetten, rond twee uur,--als ge eerst wakker
wordt....

--Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester
binnen....

Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord,
lijk gesmacht in de dikke stilte.

In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukken die hij op zijn bed
opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan
den kokenden ketel.

Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel
schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was
afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen
zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar
hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en
kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten
bezig, in de verwachting van den slaap.

Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder
en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene
stilte voor en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat
iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te
peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan
en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in
geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht.

Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom--hij zweette er af en was blij
van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder
hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen
angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis
wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte.

--De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't
uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd
hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door
den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij
zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige
gedachten, de lange reis zou doen over 't veld--en Vanhoutte--dat stak
hem plots met jagende onrust---hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij
was er zeker van....

'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en
trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia
ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak
zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij:
als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan
hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga
Free helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en
keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en
kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het
geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en
vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst
zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer.
Verlinde dronk koffie met den wandelstok tusschen de knieen. Ze deed
hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.--Zoo, Trezia, 'k ga,
zegde hij heel gemoedelijk.

--God beware u, en goe thuiskomst, de groeten aan den Heer.

--Moet ik iets zeggen aan Free? riep ze hem nog achterna.

--Neen, en te noen ben ik toch thuis.

Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok
het hof af.

De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een
windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over
zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen
zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't
voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog
even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok,
begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den
halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog
over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid
die in druppelregen oploste.

De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd.

Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te
maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elke
stonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in
slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De
hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de
boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting
als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap,
blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met
de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met
volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de
klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de
oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte
met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren
de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe
velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd.
De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht
staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan.

Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om
menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te
kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die
hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring
over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier
gister, zoo of anders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En
langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog
altijd geen levenden wandelaar.

--Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft
niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem
kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar
bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen
afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze
en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling.

Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister
kermiszondag geweest--en in de straat waren de herbergen ook bevlagd.
De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de
persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren
bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met
verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een
peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van
eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden
de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar.

Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door,
zonder een kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw
straatje kwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver
in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond
de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers.
Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en
geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht
brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den
gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in
dansende reuzeling loopend in een trek over 't natte dauwgras in
flonkerende tinteling--een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de
oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle
tinteling niet verdragen kon.

Voor hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder
en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien.

--Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap
omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef.
Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht
sprongen en aan 't werk gingen.

Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang,
zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was.
De mist bleek in een zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid
boven den wolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van
waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en
vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van
schaterrellend schuifelen en gezang.

De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de
boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde
hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De
vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in
de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten
over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't
geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo
vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf.

Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde
in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den
nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen
hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte
woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg,
recht naar de zon toe.

Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond
kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte
sloeg--Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om
niet gezien te worden, hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed
boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling.

--Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...!
Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij
zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld
liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit
bestaan had.

Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch
eerst uit en hem voor was.

Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen
achter den oever in de boot--na een tijdeke stapte hij weer boven al den
overkant en ging.

Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide
riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman:

--Lowie, vroeg al aan de bezigheid!

--Vroeg al op wandel!

De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht
en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken
in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte.

--Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman
over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig
de steenen trappen op.

Ja, voor hem ging Vanhoutte met zijnen vasten stap, de korte beenen
strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn
blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met
gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging
zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort.
Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo
trotsch in de lucht opstak;--hij zag of hoorde niets meer daar rond en
ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige
verwachting hoe het zou afloopen.

De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel,
die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de
dorpshuizen in de zon te blinken.

Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk
en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo
vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed
de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de
ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of
zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend
Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te
ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam
nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd
het lastiger te gaan. Al 't geen de boer van den morgen doorwandelde,
had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich
zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine
wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van
hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo
schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer
gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten,
hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd
moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele
herberg om wat te rusten.

Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene
poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw
worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun
bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten.

--'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar
den "Bonten Gaai".--Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op
dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij,
doch hij wilde het zichzelf niet bekennen.

Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het
venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur
handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo
aanstonds begon zij met luide stem te kouten over 't warm weer van de
vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet
kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en
ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde
een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk
hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster.

--Uwe burgmeester stelt het altijd goed?

--O, zeker, een beste mensch.

En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar voor negen uur te
gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag
hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan
de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar
zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van
"Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat,
de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat
hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan.
Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den
tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in
eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte:
onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten.
Daarbij keerden in zijn eenzaam turen, al de kleine gebeurtenissen van
verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp voor zijnen geest--samen
hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat
de burgemeesters kantoor open ging.

--O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat
ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog
negentig jaar alzoo voortduren.

De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag,
en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs
geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren
ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den
ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar
bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden
zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en
Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De
dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo voor de voeten
zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat
Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om
zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was
en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde
zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binst dat
zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven
lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de
doening op zijn land--hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die
verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne
eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend
zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden
kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland
koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de
weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris
staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de
eerste die een bod deed--een stem hoogde hem af! Verlinde had een
nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had
gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken
hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,--hij dacht nog
dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen
gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden:

"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper
was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't
hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij
nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan
Vanhoutte toegeslegen.

Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar
inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord
gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land--dat hij
toch wel missen kon--maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat
hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend--de boer
waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo
verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al
zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in
hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of
vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en
toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg
en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven,
vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de
menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze
verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij
Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene
lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en
gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook
geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur
gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen
waarop hij keek herinnerden hem aan 't geleden onrecht--hij moest stand
houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg,
maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking
van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg
hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring
van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne
eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de
dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de
herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken--de leute en
't gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras
en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig
onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets
dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper
ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist
niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen
getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op
alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in
zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk
omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven.

Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer
daar hij beloofd had tegen den noen te huis te zijn. Hij zag het felle
weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was
over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn
zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek
besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester
gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel.

De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen.

--Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig.

Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar
Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide:

--Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten!

De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend:

--Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor,

--Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en
stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een
gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De
bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen
aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat
er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het
bromronken van twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging
open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar
Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg
op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te
wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde
hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur
dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet
langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken
over zijne verdrietigheid van heel den uchtend--met een stout gebaar
trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden
bek en bek, in de gang.

--He, he he, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden,
onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen--'t had maar een
stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en
Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn
wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen
uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de
burgemeester had niets te zien in hunne ruzie

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.