A   B   C   D   E    F   G   H   I   J    K   L   M   N   O    P   R   S   T   U   V   W   X   Y    Z

Books of The Times: A 5th Gospel Can Be Like a 5th Wheel
An independent publisher said it was negotiating to release Herman Rosenblat’s discredited memoir, “Angel at the Fence,” as fiction.

Arts, Briefly: False Memoir May Find New Life as Fiction
The architectural historian Kenneth Frampton has updated his 1995 book with 11 additional houses.

Currents | Books: 11 More Great Homes
A personal Christmas tale posted online by the author Neale Donald Walsch turns out to belong to someone else — the writer Candy Chand, who first published it 10 years ago.

Stijn Streuvels - Dagen



S >> Stijn Streuvels >> Dagen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11



--Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en
te huis?

Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den
binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreef
eenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en
glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het
keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens
te komen zien.

--Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der
wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee
pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien
vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde
zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil.

--Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt
... maar 'k kan hem nog inhalen--'k was wat verachterd met dat we een
zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't
schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn.

--'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk.

Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink.

--Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw.

't Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van
meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met
zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven
weer goedmaken door eene stoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in
dat huis gekeven te hebben.--Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten
was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert,
zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met
kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan
een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen
de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en
Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde
ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den
een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze
bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er
nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze
hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op
hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest,
met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er
geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk
naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de
twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De
gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En
Verlinde was kwaad omdat er niet meer geruchte was, omdat de dingen zoo
lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeen over malkaar zaten
te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde
met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies
met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen.

Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond
recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert
genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat
blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich
eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok.
Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust
van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder
en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis
te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat,
maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was
nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,--zoo bleef de
bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken.

De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de
verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein,
nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van
den heuvel, met dat breed landschap voor zich.

't Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst
overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en
stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen
op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige
lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor
stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land
geloopen heeft.

Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de
menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van
wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant
twee menschen voor de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond
aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende
hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij
een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de
vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk
dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te
zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren.

--Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in
de boot stond,--ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit
den weg loop; ik moest thuis zijn--maar dat gelooven ze niet.

Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het
water!

--Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen,
ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem
een pinte, 'k heb vandage goe zaken gedaan, en hij sloeg met den
mispelaar op tafel.

Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd
naar Vanhoutte die niets en zegde.

--Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op
en tikte het tegen de twee andere.

Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de
boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't
kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne
weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze
praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze
malkaar niet.

Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten.

--Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen
tikten tegeneen.

De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen:

--Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart,
maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven!

Die woorden vielen als in eenen kelder en versmachtten er zonder
naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet
gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider
schreeuwde hij ineens:

--Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat
ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee
gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven!

De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en
daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid:
geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een
jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun
versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten
opgroeien--en dat wierp de kerel in een mondsgreep er uit. Nu voelde
Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't
hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed
heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene
verachtelijke beuzelarij.

--Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo
fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de
oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en
zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als
om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als ze om zoo'n dingen
elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't
inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn
raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen:

--Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken
heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd!

Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie
glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien.

De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol
goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen,
innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe
waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun
gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder
de machtige lucht.

Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en
uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en
los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij
de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch
elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij
te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde
open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel.
Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaas dronken en inwendig voelde hij
de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te
drinken;--als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op
t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij
had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets
herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat
nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn
leven op den ouden plooi moest brengen.

--Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst!

Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon
doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het
leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was.

Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den
hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met
nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten
bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde
ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men
krullen moest van 't lachen.

En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde
Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig
waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt;
dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongen spraken zij over 't geleden
verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd.

--Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis!
loech Verlinde.

--Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei
Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne
bezigheid.

--Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver
rijden! Is 't gedaan?

--'t Is gedaan.

--Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na!

--Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de
zaak met eenen handslag te bevestigen.

--Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond!

--Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken
menschen.

Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om
bier en Lowie moest meedrinken.

Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en
't al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten
de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis.
Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper
gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed
lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hield zin noch
reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden,
smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan
den mond te brengen.

--We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een.

--Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't
gelag betalen!

--Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven
zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden
of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,--z'en wisten niet goed
meer wat--maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of
dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't
gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd
effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep
de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde.

--Daar, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam
van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den
kelder--breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden!

Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en
schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't
bier dat ze stortten.

Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakte en verstierf in de
ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf
op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en
ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand
gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van
hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden.

Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam
was brobbeling.

--Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ...
ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint.

De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen
te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand.
En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar
Verlinde:

--Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij.

--Ik! ik? bofte Verlinde.

--'k Wed dat ge er door valt!

--Ik, sterk van natuur, jongen!

Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel
en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er
voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden
schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk,
gelokene oogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen
de uitvaart van den bezopene:

Onze broeder Lazarus
die is dood
zottekloot;
we zullen hem begraven
al in Jerusalem-me-lem-
me-lem.
We zullen hem begraven
al in Jerusa-
lem.

Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist
op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist
en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders:

We zullen hem begraven
al in Jerusalem-me-lem
me-lem.

--We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde
een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer
weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie
in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst:

En onze broeder Lazarus
die is dood
zottekloot!
. . . . . . . . . . . . .

--Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en
dan....

De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen
hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te
vallen.

--Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij.

--Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en
haalde geld uit en wierp het op tafel.--Daar!

De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren
vertrokken arm aan arm, gebroederlijk--Vandoorn in 't midden. Zoo
waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En
hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't
gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar
evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend
voort.

We zullen hem begraven
al in Jerusalem-me-lem
me-lem.
We zullen hem begraven
al in Jerusalem.

De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de
koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den
einder.

De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen,
te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun
treuzelenden gang.

De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze
verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie
verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer
met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij
volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten
verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze
tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang
gedoken liggen. Later kropen ze een voor een weer boven, hernamen den
wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den
schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw.

't Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in
dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond.


* * * * *


VEROVERING


Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis
gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar,
in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden
grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels
gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't
kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en
liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar
den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed
aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De
klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten,
ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en
elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen.

Odo en Andre, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen
hoogmoed, maar de gezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek
vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie
die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week
te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze
bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het
leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar
ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij
luisterde dat af, goeloos, met een onnoozelen monkellach zonder een
weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger
bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar
versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan
de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd,
vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den
achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg
of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te
kaarten.

Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de
"Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig
dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden
tegen 't mesje dat vrij meegiechelde, terwijl heur poezelige hand met de
flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmolten ijs, perelend de
glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten
voorschoot.

Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp
bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't
werk is.

Odo en Andre ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen
korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert
lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil
en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen
hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten
kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen:

--Wat schikt gij te doen, vandage? vroeg Andre.

--Weet niet.

--'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde
nu al zes zondagen aan een eind; zouden we niet een tochtje te peerde
doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen
zijn goed.

--Voor mij niet gelaten, meende Odo.

--We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn
zoo drommels lang om verluieren.

--Waar rijden we?

--Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten.

--Goed, hoe late?

--Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen.

--Goed, na 't eten.

Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen
grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne
pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof
verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten,
overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en
bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal
zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame,
uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden
zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf
waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud,
doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze
dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der
blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op
zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan,
op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of
verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude,
zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de
sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening
stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smelten in 't overwegend
wintergrijs, verdrietig om zien.

Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende,
lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken
over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de
kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje
en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de
verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van
alle dagen, avonden gesleten bij Andre en zijne zuster Ida en elders op
andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep
van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens
moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat
stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk
ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den
gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo
vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een
vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de
nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag
hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden
knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al
den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo
seffens zou binnenkomen; de warmte en den reuk van den maaltijd snoof
hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster....

Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en
karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige
moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche
winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar
dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk
't eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en
dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche
triestigheid, den godslagen Zondag.

Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die
levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij
vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en
schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en
stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd--geen beest dat leven miek.
De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij
juist den tijd om te eten.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11
Copyright (c) 2007. topmasterworks.com. All rights reserved.